Meest gelezen ▸
Amarillis
hier is
in een zeepbel
Iris
hang de bel
aan een ring
en de ring
aan je neus
Amarillis
Schud je 't hoofd
speelt het licht
in de bel
met Iris
Schud je fel
breekt de bel
Amarillis
Een heer die de straat afdaalt
een heer die de straat opklimt
twee heren die dalen en klimmen
dat is de ene heer daalt
en de andere heer klimt
vlak vóór de winkel van Hinderickx en Winderickx
vlak vóór de winkel van Hinderickx en Winderickx van de
beroemde hoedemakers
treffen zij elkaar
de ene heer neemt zijn hoge hoed in de rechterhand
de andere heer neemt zijn hoge hoed in de linkerhand
dan gaan de ene en de andere heer
de rechtse en de linkse de klimmende en de dalende
de rechtse die daalt
de linkse die klimt
dan gaan beide heren
De zon en de zee springen bliksemend open:
waaiers van vuur en zij;
langs blauwe bergen van den morgen
scheert de wind als een antilope
voorbij.
zwervende tusschen fonteinen van licht
en langs de stralende pleinen van 't water,
voer ik een blonde vrouw aan mijn zij,
die zorgeloos zingt langs het eeuwige water
een held're, verruk'lijk-meesleepende wijs:
‘het schip van den wind ligt gereed voor de reis,
de zon en de maan zijn sneeuwwitte rozen,
de morgen en nacht twee blauwe matrozen -
wij gaan terug naar 't Paradijs’.
Witte wolken die daar zwerven.
Groene wei van 't waterland!
Blauwe hemel — vette verven,
Doet mij kwasten aan de hand!
Tuintje met jouw abrikozen,
Welig van de nattigheid!
Met jouw fruit, met jouw frambozen,
Geef mij van jouw sappigheid!
Bloemen, fleurig in de kleuren,
En jij linde en jasmijn!
Laat mijn liedje van jouw geuren
's Morgens vroeg niet dronken zijn!
Nuchtre wind! blaas 't aan mijn ooren,
Klaterende waterval!
Vogels zegt mij van te voren
Hoe ik 't liedje zetten zal!
Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem
ploem ploem
dag stoel naast de tafel
dag brood op de tafel
dag visserke-vis met de pijp
en
dag visserke-vis met de pet
pet en pijp
van het visserke-vis
goeiendag
Daa-ag vis
dag lieve vis
dag klein visselijn mijn
Tulpebollen bolle tulpen tulpetuilen
rozetuilen
boererozen boerewangen boerelongen
boerelongen ballen wangen
wangen ballen bekkens
ballen bolle bekkens
bugel en basson - o hop!
wie heeft er de kleine bugel gezien
wie heeft er de grote bugel gezien
en wie Gaston met zijnen basson
Marie-Katelijne Marie-Katerien
want dit is geen pavane of geen sarabande meer
dat is geen gigue of geen allemande meer
en geen wals
dat is 'nen charleston
'nen boerecharleston
Sonnetten hier, sonnetten daar!
Een wereld vol sonnetten!
Men is er machtig gauw mee klaar
In spijt der stipte wetten.
Al loopt de zin wel wat gevaar,
Daar valt niet op te letten;
Het fijne van de mis is maar
Ze goed ineen te zetten.
Een klinkdicht - als 't in 't Hollandsch heet -
Heeft niets te doen dan klinken;
En hebt gij daar den slag voor beet,
Uw roem zal eeuwig blinken...
Zie zoo; het mijne is ook gereed,
En hoor het eens rinkinken!
De boomen golven op de heuvelen
boomhoofden stil in de nevelen
lentelichte zacht lentelicht.
De toren met zijn gezicht
daar midden in wijst deftig nog uren,
verbeel je uren, uren, uren —
't is om te stikken
in deze oogenblikken,
het kriebelend lachen
ik kan het haast niet verdragen,
ik stik
in dit krankzinnige lichte deftige oogenblik.
De zon is verschenen!
De aarde straalt —
Zij heeft een verdwenen
Geluk in mijn oogen gehaald.
Ik ben alles vergeten
Wat ik zooeven wist —
Ach ! wat is 't dat we weten?
Wat is 't! wat is 't!
Wat is 't dat we willen,
Dan de kranke aarde in 't
Zonlicht te tillen —
Als een arm ziek kind!
Sikkels klinken;
Sikkels blinken;
Ruischend valt het graan,
Zie de bindster gaâren!
Zie, in lange scharen,
Garf bij garven staan!
't Heeter branden
Op de landen
Meldt den middagtijd;
't Windje, moê van 't zweven,
Heeft zich schuil begeven;
En nog zwoegt de vlijt!