Gedichten over het onderwerp: zee

Gedichten over het onderwerp “zee” op Poets.by.

VrolijkHendrik Marsman

Paradise regained

De zon en de zee springen bliksemend open: waaiers van vuur en zij; langs blauwe bergen van den morgen scheert de wind als een antilope voorbij. zwervende tusschen fonteinen van licht en langs de stralende pleinen van 't water, voer ik een blonde vrouw aan mijn zij, die zorgeloos zingt langs het eeuwige water een held're, verruk'lijk-meesleepende wijs: ‘het schip van den wind ligt gereed voor de reis, de zon en de maan zijn sneeuwwitte rozen, de morgen en nacht twee blauwe matrozen - wij gaan terug naar 't Paradijs’.
VrolijkC.S. Adama van Scheltema

's Dichters morgenlied

Witte wolken die daar zwerven. Groene wei van 't waterland! Blauwe hemel — vette verven, Doet mij kwasten aan de hand! Tuintje met jouw abrikozen, Welig van de nattigheid! Met jouw fruit, met jouw frambozen, Geef mij van jouw sappigheid! Bloemen, fleurig in de kleuren, En jij linde en jasmijn! Laat mijn liedje van jouw geuren 's Morgens vroeg niet dronken zijn! Nuchtre wind! blaas 't aan mijn ooren, Klaterende waterval! Vogels zegt mij van te voren Hoe ik 't liedje zetten zal!
PeinzendJ. Slauerhoff

Het einde

Vroeger toen ’k woonde diep in ’t land, Vrat mij onstilbaar wee; Zooals een gier de lever, want Ik wist: geen streek geeft mij bestand, En ’k zocht het ver op zee. Maar nu ik ver gevaren heb En lag op den oceaan alleen, Waar zelfs Da Cunha en Sint-Heleen Niet boren door de kimmen heen, Voel ik het trekken als een eb Naar ’t verre, vaste, bruine land... Nu weet ik: nergens vind ik vree, Op aarde niet en niet op zee, Pas aan die laatste smalle ree Van hout in zand.
PeinzendJ. Slauerhoff

De ontdekker

Den rustigen die mij tartten te vertrekken Heb ik om 't schip te krijgen woest beloofd Rijkdommen fabelachtig te ontdekken, Waarvoor ik ingestaan heb met mijn hoofd, En eindlijk in triomftocht aangebracht. Tot zinkens toe geladen lag mijn vloot. Wel waren bijna al mijn mannen dood, Maar alle havensteden bont bevlagd. Toen moest ik knielen voor den gouden troon. De koning boog en wilde mij een keten Omhangen - die ik hem met wilden hoon Ontrukt heb en een hoovling toegesmeten. Nog heeft een vrouw mij innig vroom omhelsd, En in haar grijze oogen zag 'k mijn vrede. Ik neeg - maar in mij brandde toch het felst 't Vuur dat mij voortdrijft buiten rust en reede.