Mest lästa ▸
Hendrik Marsman
De zon en de zee springen bliksemend open:
waaiers van vuur en zij;
langs blauwe bergen van den morgen
scheert de wind als een antilope
voorbij.
zwervende tusschen fonteinen van licht
en langs de stralende pleinen van 't water,
voer ik een blonde vrouw aan mijn zij,
die zorgeloos zingt langs het eeuwige water
een held're, verruk'lijk-meesleepende wijs:
‘het schip van den wind ligt gereed voor de reis,
de zon en de maan zijn sneeuwwitte rozen,
de morgen en nacht twee blauwe matrozen -
wij gaan terug naar 't Paradijs’.
’k Ben u niet moe, o Lieve Zon!
– Och schijn maar alle dagen! –
’k Schep in uw glans, o milde bron
Des levens, rein behagen!
’k Ben u niet moe, o lieve Zon!
’k Wou zelfs dat ik mijn leven,
Van voren aan beginnen kon
Nog eens in deze dreven.
Maar zaagt ge mij wel duizend keer
Nú struiklen, vallen, dwalen –
’k Zou wijzer wezen dan weleer,
Mocht ik de proef herhalen!
’k Zou beter kijken waar ik liep,
Steeds voor mijn hart goed zorgen,
En lieve Zon, neen, ik versliep
Geen enklen lentemorgen.
De zon is verschenen!
De aarde straalt —
Zij heeft een verdwenen
Geluk in mijn oogen gehaald.
Ik ben alles vergeten
Wat ik zooeven wist —
Ach ! wat is 't dat we weten?
Wat is 't! wat is 't!
Wat is 't dat we willen,
Dan de kranke aarde in 't
Zonlicht te tillen —
Als een arm ziek kind!