In ‘Aan de zon’ spreekt een ik-figuur de zon toe alsof ze een oude vertrouweling is: “’k Ben u niet moe, o Lieve Zon!” Wat begint als een bijna uitgelaten liefdesverklaring, wordt al snel een scherpzinnige overpeinzing over de wens om het leven over te doen. De spreker verlangt even naar een tweede kans: “’k Wou zelfs dat ik mijn leven, / Van voren aan beginnen kon.” Maar in plaats van bij die droom te blijven, drijft hij hem met zelfspot en ironie op de spits. De centrale gedachte is daardoor niet dat je opnieuw moet willen beginnen, maar dat herhaling niets oplost en dat voorwaarts gaan, al struikelend, de enige vruchtbare houding is.
De vorm ondersteunt die gedachte. Het gedicht bestaat uit regelmatige kwatrijnen met gekruist rijm (abab) en een licht ritme van vier en drie heffingen per regel. Daardoor klinkt het bijna zingend, als een monoloog die zichzelf op gang houdt. Toch zit er veel aarzeling in de zinnen: gedachtestreepjes, uitroepen en vragen breken de regelmaat. Bijvoorbeeld rond het beroep dat de ik-figuur in een tweede leven zou kiezen: “Ik werd – ja wat? men wordt toch iets?” Die haperende stijl maakt de overpeinzing levensecht; de spreker denkt hardop en corrigeert zichzelf voortdurend.
De beeldtaal draait om licht en levenspad. De zon heet “milde bron des levens” en “Licht der aarde”, en tegelijk wordt het leven voorgesteld als een weg vol dwaalsporen: “struiklen, vallen, dwalen”, “kronkelpaên”, “dolen”. Die combinatie is betekenisvol: het licht is weldadig, maar het maakt de oneffenheden van het pad niet ongedaan. Ook de natuurbeelden versterken de levensloop: wie niet wijs wordt, “joeg geen droom, geen vlinders na”, en wie verstandig wil leven, zegt: “Ik zaaide, dat ik oogsten mocht.” Zaaien en oogsten, lentemorgens en vlinders geven het geheel een speelse ernst.
Het middendeel is een proeve van zelfspot. De ik-figuur overweegt wat hij in een tweede leven zou worden, maar elk beroep blijkt zijn schaduwzijde te hebben: “Geneeskunst is een aardig vak, / Dat kunt ge aan ’t kerkhof vragen!” en de godgeleerdheid is “een zak / Vol raadslen en vol plagen.” Zelfs het dichterschap wordt niet serieus genomen: een treurspeldichter wiens treurspel lachen oproept, is geen treurspeldichter. Zo laat de spreker zien dat het niet aan één verkeerde keuze ligt; ieder leven, ieder “alles” heeft zijn “tegen”. Daarmee wordt de wens naar een volmaakte tweede poging ontmaskerd.
De omkeer komt met “En daarom neen!” De spreker wil niet terug op zijn schreden, want “Wij doolden licht een tweede keer / Nog erger dan wij deden!” Dat is de kern van het gedicht: dwalen hoort bij menselijk leven en laat zich niet wegpoetsen door opnieuw te beginnen. De leuze wordt dan ook: “Niet óverdoen – maar voorwaarts gaan, / Schoon struiklend, zij de leuze!” Die regel is niet somber; hij klinkt bijna opgelucht. Wie herhaling loslaat, mag van het heden genieten en tegelijk hopen op “beter licht” in een “reiner kring”, met de “ondervinding” uit dit “zeer leerzaam leven”.
Het gedicht is significant omdat het een zware existentiële vraag lichtvoetig behandelt. De Génestet verbindt humor, zelfspot en een eenvoudige, zingende vorm met een wijsheid die niet moraliseert. De lezer hoort geen preek, maar iemand die zichzelf door zijn eigen dagdroom heen redeneert en uitkomt bij een wankele, menselijke moed: niet perfect, maar voorwaarts.