Aan de zon — Analyse van het gedicht

P.A. de GénestetContemplativo

’k Ben u niet moe, o Lieve Zon! – Och schijn maar alle dagen! – ’k Schep in uw glans, o milde bron Des levens, rein behagen!

’k Ben u niet moe, o lieve Zon! ’k Wou zelfs dat ik mijn leven, Van voren aan beginnen kon Nog eens in deze dreven.

Maar zaagt ge mij wel duizend keer Nú struiklen, vallen, dwalen – ’k Zou wijzer wezen dan weleer, Mocht ik de proef herhalen!

’k Zou beter kijken waar ik liep, Steeds voor mijn hart goed zorgen, En lieve Zon, neen, ik versliep Geen enklen lentemorgen.

Ik joeg geen droom, geen vlinders na. Geen kleurrijke ijdelheden: Werd ik niet wijs, met schande en schaê, Door ’t liefelijke verleden?

Ik zaaide, dat ik oogsten mocht. In rijper levensdagen, ’k Zou willen weten, wát ik zocht; Méér wegen, minder wagen.

Ik zou verstandig, kalm, geleerd, Altijd met oordeel kiezen, En nimmer onberedeneerd Mijn hoofd, mijn hart verliezen!

Ik werd – ja wat? men wordt toch iets? Maar ach, ’t is zóó gelegen; ’k Zou alles willen zijn en – niets, Want alles heeft zijn tegen!

Geneeskunst is een aardig vak, Dat kunt ge aan ’t kerkhof vragen! En Godgeleerdheid is.... een zak Vol raadslen en vol plagen!

Wat werd ik dan? de Hemel weet! Misschien een treurspeldichter? Maar zoo mijn treurspel lachen deed, Waar dan mijn strijd veel lichter?

En bleek het dan eens dat ik meer Voor ’t Blijspel was geboren – Zoo ware ik ’t oude knechtje weer En had mijn tijd verloren!

’k Voorzie, mijn tweede leven zou Dus ook weer hasplen wezen, Weer lust en strijd en naberouw! Niet wijzer dan voor dezen!

Weer de onverzoenbre zielenood, Weer zoeken zonder vinden, Weer tobben in het klein en ’t groot, En tasten in den blinden!

Gij zaagt me ook dan, o lieve Zon, Weer struiklen, vallen, dwalen, Zoo goed als of ik pas begon In dees geliefde dalen!

En daarom neen! schoon ik uw glans Bemin, o Licht der aarde! – Vooral wanneer gij, zooals thans, Verliefd schijnt in mijn gaarde;

En daarom neen! Ik wou niet weer Teruggaan op mijn schreden: Wij doolden licht een tweede keer Nog erger dan wij deden!

Neen, op des levens kronkelpaên, Veel wijzer is mijn keuze: Niet óverdoen – maar voorwaarts gaan, Schoon struiklend, zij de leuze!

Ook, met die leuze in ’t hart, geniet Ik, lieve Zon, uw zegen, En tevens vaak lacht in ’t verschiet De blijde hoop mij tegen:

Als beter licht ons op zal gaan, In reiner kring te streven, Met de ondervinding, opgedaan In dit zeer leerzaam leven.

Mostrar el poema completoOcultar el poema

Learn Poems-app

Probeer de Learn Poems-app

Alles van de website-trainer en meer: nieuwe oefeningen, spraakopname en delen, herinneringen, snel opfrissen.

In ‘Aan de zon’ spreekt een ik-figuur de zon toe alsof ze een oude vertrouweling is: “’k Ben u niet moe, o Lieve Zon!” Wat begint als een bijna uitgelaten liefdesverklaring, wordt al snel een scherpzinnige overpeinzing over de wens om het leven over te doen. De spreker verlangt even naar een tweede kans: “’k Wou zelfs dat ik mijn leven, / Van voren aan beginnen kon.” Maar in plaats van bij die droom te blijven, drijft hij hem met zelfspot en ironie op de spits. De centrale gedachte is daardoor niet dat je opnieuw moet willen beginnen, maar dat herhaling niets oplost en dat voorwaarts gaan, al struikelend, de enige vruchtbare houding is.

De vorm ondersteunt die gedachte. Het gedicht bestaat uit regelmatige kwatrijnen met gekruist rijm (abab) en een licht ritme van vier en drie heffingen per regel. Daardoor klinkt het bijna zingend, als een monoloog die zichzelf op gang houdt. Toch zit er veel aarzeling in de zinnen: gedachtestreepjes, uitroepen en vragen breken de regelmaat. Bijvoorbeeld rond het beroep dat de ik-figuur in een tweede leven zou kiezen: “Ik werd – ja wat? men wordt toch iets?” Die haperende stijl maakt de overpeinzing levensecht; de spreker denkt hardop en corrigeert zichzelf voortdurend.

De beeldtaal draait om licht en levenspad. De zon heet “milde bron des levens” en “Licht der aarde”, en tegelijk wordt het leven voorgesteld als een weg vol dwaalsporen: “struiklen, vallen, dwalen”, “kronkelpaên”, “dolen”. Die combinatie is betekenisvol: het licht is weldadig, maar het maakt de oneffenheden van het pad niet ongedaan. Ook de natuurbeelden versterken de levensloop: wie niet wijs wordt, “joeg geen droom, geen vlinders na”, en wie verstandig wil leven, zegt: “Ik zaaide, dat ik oogsten mocht.” Zaaien en oogsten, lentemorgens en vlinders geven het geheel een speelse ernst.

Het middendeel is een proeve van zelfspot. De ik-figuur overweegt wat hij in een tweede leven zou worden, maar elk beroep blijkt zijn schaduwzijde te hebben: “Geneeskunst is een aardig vak, / Dat kunt ge aan ’t kerkhof vragen!” en de godgeleerdheid is “een zak / Vol raadslen en vol plagen.” Zelfs het dichterschap wordt niet serieus genomen: een treurspeldichter wiens treurspel lachen oproept, is geen treurspeldichter. Zo laat de spreker zien dat het niet aan één verkeerde keuze ligt; ieder leven, ieder “alles” heeft zijn “tegen”. Daarmee wordt de wens naar een volmaakte tweede poging ontmaskerd.

De omkeer komt met “En daarom neen!” De spreker wil niet terug op zijn schreden, want “Wij doolden licht een tweede keer / Nog erger dan wij deden!” Dat is de kern van het gedicht: dwalen hoort bij menselijk leven en laat zich niet wegpoetsen door opnieuw te beginnen. De leuze wordt dan ook: “Niet óverdoen – maar voorwaarts gaan, / Schoon struiklend, zij de leuze!” Die regel is niet somber; hij klinkt bijna opgelucht. Wie herhaling loslaat, mag van het heden genieten en tegelijk hopen op “beter licht” in een “reiner kring”, met de “ondervinding” uit dit “zeer leerzaam leven”.

Het gedicht is significant omdat het een zware existentiële vraag lichtvoetig behandelt. De Génestet verbindt humor, zelfspot en een eenvoudige, zingende vorm met een wijsheid die niet moraliseert. De lezer hoort geen preek, maar iemand die zichzelf door zijn eigen dagdroom heen redeneert en uitkomt bij een wankele, menselijke moed: niet perfect, maar voorwaarts.

Lee también