Moederken — Samenvatting

Guido GezelleContemplative

‘t En is van u hiernederwaard, geschilderd of geschreven, mij, moederken, geen beeltenis, geen beeld van u gebleven.

Geen teekening, geen lichtdrukmaal, geen beitelwerk van steene, ‘t en zij dat beeld in mij, dat gij gelaten hebt, alleene.

o Moge ik, u onweerdig, nooit die beeltenis bederven, maar eerzaam laat ze leven in mij, eerzaam in mij sterven.

Show the whole poemHide the poem

Learn Poems-app

Probeer de Learn Poems-app

Alles van de website-trainer en meer: nieuwe oefeningen, spraakopname en delen, herinneringen, snel opfrissen.

Guido Gezelle richt zich in ‘Moederken’ tot zijn moeder. Van haar is hier op aarde geen geschilderd of geschreven portret overgebleven, geen tekening, geen foto en geen stenen beeld. Wat rest, is alleen het innerlijke beeld dat zij in hem heeft achtergelaten. Daardoor voelt het gedicht intiem en bijna plechtig. De spreker voelt zich klein en onwaardig: hij hoopt dat hij die innerlijke beeltenis nooit zal beschadigen. Hij wil haar eerzaam in zich laten voortleven en haar tot zijn eigen einde toe bewaren. Uit die wens spreekt geen luid verdriet, maar stille dankbaarheid, ontzag en een lichte vrees om iets kostbaars te verliezen. De toon is ingetogen, teder en herinnerend, alsof de moeder niet lijfelijk aanwezig is, maar in zijn gedachten nog helemaal bestaat.

Read also