De ontdekker — Samenvatting

J. SlauerhoffEttertenksom

Den rustigen die mij tartten te vertrekken Heb ik om 't schip te krijgen woest beloofd Rijkdommen fabelachtig te ontdekken, Waarvoor ik ingestaan heb met mijn hoofd,

En eindlijk in triomftocht aangebracht. Tot zinkens toe geladen lag mijn vloot. Wel waren bijna al mijn mannen dood, Maar alle havensteden bont bevlagd.

Toen moest ik knielen voor den gouden troon. De koning boog en wilde mij een keten Omhangen - die ik hem met wilden hoon Ontrukt heb en een hoovling toegesmeten.

Nog heeft een vrouw mij innig vroom omhelsd, En in haar grijze oogen zag 'k mijn vrede. Ik neeg - maar in mij brandde toch het felst 't Vuur dat mij voortdrijft buiten rust en reede.

En haastig heb ik mij weer ingescheept, Zeker van een ontdekking, anders grootsch, Maar ben door onweerstaanbre drift gesleept Naar zeeën leeg en kusten steil en doodsch.

Vis hele diktetSkjul diktet

Learn Poems-app

Probeer de Learn Poems-app

Alles van de website-trainer en meer: nieuwe oefeningen, spraakopname en delen, herinneringen, snel opfrissen.

Slauerhoff schetst een ontdekkingsreiziger die na een barre tocht terugkeert met fabelachtige rijkdom, maar bijna zijn hele bemanning is gestorven. Toch kan hij niet van de triomf genieten: wanneer de koning hem wil onderscheiden, rukt hij de keten honend los. Ook de omhelzing van een liefdevolle vrouw brengt hem geen rust. In haar grijze ogen ziet hij even vrede, maar zijn innerlijke vuur drijft hem meteen weer naar zee, op zoek naar iets groters, al weet hij dat hem lege zeeën en dode kusten wachten. Eer, liefde en thuiskomst zeggen hem niets; alleen het verlangen naar het onbekende houdt hem gaande. Het gedicht ademt eenzaamheid en onrust: de spreker is gedoemd te vertrekken, steeds opnieuw.

Les også

Mer av J. Slauerhoff

Alle dikt
SintJ. Slauerhoff

In Nederland

In Nederland wil ik niet leven, Men moet er steeds zijn lusten reven, Ter wille van de goede buren, Die gretig door elk gaatje gluren.
EttertenksomJ. Slauerhoff

Woninglooze

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen, Nooit vond ik ergens anders onderdak; Voor de' eigen haard gevoelde ik nooit een zwak, Een tent werd door den stormwind meegenomen.
EttertenksomJ. Slauerhoff

Het einde

Vroeger toen ’k woonde diep in ’t land, Vrat mij onstilbaar wee; Zooals een gier de lever, want Ik wist: geen streek geeft mij bestand,