De ik-figuur in Slauerhoffs ‘Woninglooze’ voelt zich nergens echt thuis: alleen in zijn eigen gedichten kan hij wonen. Een huis of haard trekt hem niet, en een tent is zo weer door de storm meegenomen. Zolang hij in wildernis, steppe, stad of woud dat onderkomen van woorden kan vinden, deert hem geen zorg. Toch slaat de sfeer aan het slot om. Hij voorvoelt dat er een moment komt waarop zijn oude kracht hem ’s nachts ontbreekt en hij tevergeefs smeekt om de zachte woorden waarmee hij vroeger kon bouwen. Dan moet de aarde hem bergen en buigt hij zich naar het graf dat in het donker openbreekt. Het gedicht is daardoor tegelijk rusteloos en berustend: verlangen naar vrijheid en eenzaamheid, maar ook aanvaarding van de dood.
Woninglooze — Samenvatting
Alleen in mijn gedichten kan ik wonen, Nooit vond ik ergens anders onderdak; Voor de' eigen haard gevoelde ik nooit een zwak, Een tent werd door den stormwind meegenomen.
Alleen in mijn gedichten kan ik wonen. Zoolang ik weet dat ik in wildernis, In steppen, stad en woud dat onderkomen Kan vinden, deert mij geen bekommernis.
Het zal lang duren, maar de tijd zal komen Dat voor den nacht mij de oude kracht ontbreekt En tevergeefs om zachte woorden smeekt, Waarmee 'k weleer kon bouwen, en de aarde Mij bergen moet en ik mij neerbuig naar de Plek waar mijn graf in 't donker openbreekt.