Oogstlied — Analyse van het gedicht

Sikkels klinken; Sikkels blinken; Ruischend valt het graan, Zie de bindster gaâren! Zie, in lange scharen, Garf bij garven staan!

't Heeter branden Op de landen Meldt den middagtijd; 't Windje, moê van 't zweven, Heeft zich schuil begeven; En nog zwoegt de vlijt!

Show the whole poemHide the poem

Learn Poems-app

Probeer de Learn Poems-app

Alles van de website-trainer en meer: nieuwe oefeningen, spraakopname en delen, herinneringen, snel opfrissen.

In Starlings Oogstlied staat de zomer stil, maar het werk niet. Vanaf de eerste regels klinkt het veld: sikkels klinken, sikkels blinken. De twee korte zinnetjes vormen een hechte eenheid doordat klinken en blinken op elkaar rijmen en vrijwel hetzelfde ritme delen; horen en zien vallen daardoor samen. Het ruisen van het vallend graan versterkt dat zintuiglijke beeld: ruischend is hier niet zomaar een bijvoeglijk naamwoord, maar een klanknabootsing die het geluid van halmen bijna hoorbaar maakt.

De eerste strofe is opgebouwd uit een afwisseling van korte en iets langere regels, waardoor het ritme doet denken aan maaiende en bindende bewegingen. Na drie regels waarin het graan valt, richt de spreker zich tot de lezer: Zie de bindster gaâren! De herhaling van zie, direct gevolgd door Zie, in lange scharen, maakt de lezer tot toeschouwer. Zo ontstaat een tableau: eerst het geluid en de beweging van het maaien, daarna de orde van de oogst. Garf bij garven staan laat zien dat het werk vordert; de herhaling van garf benadrukt de regelmaat en de overvloed.

Staring was een Gelders landgoedbezitter en kende het boerenleven van nabij. Dat is aan het gedicht te merken: er staat geen romantisch platteland in, maar een zinderende werkdag. De tweede strofe begint met hitte. ’t Heeter branden / Op de landen / Meldt den middagtijd: door de hitte zelf als onderwerp te maken, wordt het weer een handelende kracht. Het middaguur komt niet via de klok, maar via het branden op het land. De ouderwetse spelling middagtijd geeft de regel bovendien iets statigs, alsof de dag een officieel moment bereikt.

Opvallend is het windje, dat als een vermoeid wezen wordt neergezet: moê van ’t zweven, / Heeft zich schuil begeven. Terwijl de hitte het landschap beheerst, trekt de wind zich terug. Toch eindigt de strofe niet met stilstand, maar met een krachtig slot: En nog zwoegt de vlijt! Hier verschuift de aandacht van de zichtbare arbeiders naar de vlijt zelf. Niet een bepaalde maaier of bindster wordt genoemd, maar de ijver als abstracte figuur. Die keuze maakt van het slot een klein loflied: de menselijke werkkracht zet door terwijl de natuur pauzeert.

Het rijmschema van beide strofen is aabccb. De korte a- en c-regels geven vaart, terwijl de langere b-regels telkens een rustpunt vormen. In de eerste strofe rijmen graan en staan; daardoor worden vallen en oprichten klankmatig met elkaar verbonden. In de tweede strofe rijmen middagtijd en vlijt; dat is een veelzeggende combinatie, want het midden van de dag en de menselijke ijver worden juist met elkaar gecontrasteerd. Het liedachtige karakter zit ook in de klankfiguren: sikkels klinken, sikkels blinken, garf bij garven. De s-, k- en g-klanken werken als een ritmische begeleiding, alsof het gedicht zelf meewerkt op het veld.

De betekenis van Oogstlied ligt in die combinatie van nauwkeurige waarneming en bijna muzikale eenvoud. In twaalf regels vangt Staring een compleet oogstmoment: het geluid van de sikkels, de vallende halmen, de rijen schoven, de hitte, de stille wind en het doorzwoegen. Tegelijkertijd overstijgt het tafereel de gewone beschrijving doordat de vlijt op het einde als een zelfstandig personage opstaat. Het gedicht is daardoor niet alleen een lied over de oogst, maar ook een hulde aan het werken zelf. Juist die bescheiden toon, zonder grote emoties of ingewikkelde taal, maakt het doeltreffend: elke lettergreep lijkt gekozen om het landleven hoorbaar en voelbaar te maken.

Read also

More by A.C.W. Staring

All poems
DreamyA.C.W. Staring

Herdenking

Wij schuilden onder drupplend loover, Gedoken aan den plas; De zwaluw glipte 't weivlak over, En speelde om 't zilvren gras;