In ‘Oogstlied’ kijk je als lezer mee naar een korenveld in volle oogst. Sikkels klinken en blinken, het graan valt ruisend neer en bindsters verzamelen de halmen tot lange rijen schoven. De spreker beschrijft het werk bijna zintuiglijk: je hoort het geluid van het snijden en ziet het licht op de bladen. Daarna verschuift de aandacht naar de hitte. De middag brandt, zelfs de wind heeft zich moe uit de lucht teruggetrokken, en toch gaat het zwoegen door. Daarin klinkt bewondering voor de volharding van de arbeiders, maar ook iets bijna verstilds: de natuur lijkt uitgeput, terwijl de mensen doorgaan. Het lied roept een warme, zonnige sfeer op, tegelijk kalm en krachtig, alsof het oogsten iets plechtig heeft.
Oogstlied — Samenvatting
Sikkels klinken; Sikkels blinken; Ruischend valt het graan, Zie de bindster gaâren! Zie, in lange scharen, Garf bij garven staan!
't Heeter branden Op de landen Meldt den middagtijd; 't Windje, moê van 't zweven, Heeft zich schuil begeven; En nog zwoegt de vlijt!