Er breekt plotseling iets open: de zon verschijnt, de aarde straalt en bij de ik-figuur komt een verdwenen geluk terug. Dat gevoel is zo sterk dat hij alles vergeet wat hij zojuist nog wist. Wat overblijft, is een verwonderde, haast kinderlijke vraag: wat weten we eigenlijk? Wat willen we? Het antwoord is geen redenering, maar een teder beeld: de zieke aarde in het zonlicht tillen, zoals je een arm, ziek kind optilt. Daardoor voelt het gedicht tegelijk opgetogen en zorgzaam. De lente brengt niet alleen licht en warmte, maar ook het verlangen om iets kwetsbaars te beschermen. De korte uitroepen en de eenvoudige taal versterken die bijna zingende, vertederde stemming. Het slot maakt het voorjaarsgeluk niet luidruchtig, maar stil en liefdevol.
Lente — Samenvatting
De zon is verschenen! De aarde straalt — Zij heeft een verdwenen Geluk in mijn oogen gehaald.
Ik ben alles vergeten Wat ik zooeven wist — Ach ! wat is 't dat we weten? Wat is 't! wat is 't!
Wat is 't dat we willen, Dan de kranke aarde in 't Zonlicht te tillen — Als een arm ziek kind!