C.S. Adama van Scheltema was een Nederlandse dichter uit het begin van de twintigste eeuw. In ‘Meiregen’ klinkt zijn verlangen naar groei als een bezwerend lied. De ik-figuur vraagt de lenteregen niet om geluk of troost, maar om grootte, kracht en wijsheid. Elke strofe herhaalt dezelfde beweging: de regen moet stromen aan het lijf en het hoofd, dan aan het hart, ten slotte aan de ziel. Zo klimt het gedicht van het lichamelijke via het gevoel naar het geestelijke. De centrale gedachte is helder: een mens wil geen laag blijvend gewas zijn, maar een boom — geworteld, stevig en hoog genoeg om over het leven uit te kijken.
De bouw is uiterst symmetrisch. Drie strofen van zes regels beginnen telkens met ‘Meiregen maakt dat ik…’, gevolgd door de smeekbede ‘Stroom aan mijn lijf’ en een dubbele vergelijking. Die herhaling werkt als een refrein of toverspreuk. Het ritme is vrij, maar door de herhalingen en de lange klanken krijgt het een zangerige cadans, alsof de regen zelf in de zinnen doorkabbelt. Binnenrijm en assonantie versterken dat effect: ‘grooter word — grooter word’ rolt als een golf, en de slotregels van elke strofe sluiten telkens met een vol rijm: ‘grond’ op ‘rond’, ‘veld’ op ‘geweld’, ‘wei’ op ‘getij’. Die rijmende sloten geven elke strofe een stevige landing, precies zoals de boom die het gedicht oproept stevig staat.
Het boombeeld is het kloppende hart van de tekst. De boom groeit eerst ‘uit de bosschen’, staat dan ‘in het leven’ en reikt uiteindelijk ‘in den hemel’. Hij is niet losgezongen van de wereld, maar verbonden met alles: zijn wortels zoeken de grond, zijn kruin de lucht. Tegenover de boom staan het gras, de twijg en de bloem. Dat zijn beelden van kwetsbaarheid en laagheid: gras blijft aan de grond gebonden, een twijg buigt met elke wind mee, een bloem in de wei bloeit maar kort. De boom daarentegen kan ‘de wereld zien in het rond’, blijft ‘vast bij der wereld geweld’ en groeit ‘boven des levens getij’. De tegenstelling is niet minachtend bedoeld, maar drukt een verlangen uit: wie leeft als een boom, overziet meer, wankelt minder en overstijgt de wisselvalligheid van het bestaan.
De kernwoorden groter, sterker en wijzer vormen een trapsgewijze ontwikkeling. ‘Grooter’ hoort bij het hoofd en het zien; ‘sterker’ hoort bij het hart en het volharden; ‘wijzer’ hoort bij de ziel en het overstijgen. De regen stroomt steeds dieper: eerst over het lijf, dan door het hart, dan door de ziel. Ook de ruimte wordt ruimer: van de grond naar het veld en de wei, en uiteindelijk naar de hemel en het getij. Zo wordt de meiregen een kracht die de mens langzaam verandert van een aards wezen in iets dat boven de tijd uitstijgt.
Wat ‘Meiregen’ bijzonder maakt, is de combinatie van eenvoud en gelaagdheid. Het lezen is gemakkelijk door de herhalingen en de klank, maar de symboliek maakt het tot meer dan een vrolijk lentelied. De regen is geen decor; hij is de drijvende kracht achter een innerlijke gedaanteverwisseling. De oude spelling — ‘grooter’, ‘bosschen’, ‘den’ — geeft de taal een archaïsche plechtigheid, alsof de wens uit een oude vertelling stamt. Zo blijft het gedicht fris als een voorjaarsbui, maar staat het tegelijk stevig als de boom die het oproept.