De dichter begint de dag met een uitnodigend lied aan alles om hem heen. Hij vraagt de wolken, de groene weiden en de blauwe lucht om hem als het ware kleur en kwasten te geven; de tuin met abrikozen en frambozen moet zijn woorden sappig maken. Ook bloemen, linde en jasmijn mogen hun geur aan het lied afstaan, maar niet zo sterk dat het dronken wordt. Wind en waterval geeft hij de taak ritme aan te dragen, vogels moeten hem influisteren hoe de melodie moet lopen.
Aan het eind richt hij zich tot een meisje: zij moet het lied moed geven, zodat hij niet huilend naar al die schoonheid hoeft te zoeken. Het geheel klinkt licht, zintuiglijk en hoopvol, met ook iets kwetsbaars. De dichter wil dat zijn vers rijk maar simpel blijft en als een schip onder de Hollandse vlag de wereld in vaart.