Een jongeling roept uit dat hij groots en meeslepend wil leven, tegenover vader, moeder, wereld en zelfs het knekelhuis. Daarop klinkt de raad van een grijsaard: blijf dicht bij huis, wantrouw de liefde, sluit je af voor alles wat van buiten komt. Alleen je eigen hartslag, je eigen lichaam, is volgens hem zuiver; samenzijn noemt hij leugen en kussen verraad. Die levensangst blijkt uit zijn eigen verleden: hij heeft zijn jeugd verslingerd aan opstand en liefdes en houdt er vooral schaamte en oude wonden aan over. De jongeling luistert, kijkt door de open ramen naar de wereld die tegen het huis slaat, en stapt zonder aarzelen de deur uit. Het slot is helder en zonder vrees: de jeugd kiest voor het volle leven, ondanks de bitterheid van de oude man.
De grijsaard en de jongeling — Samenvatting
Grootsch en meesleepend wil ik leven! hoort ge dat, vader, moeder, wereld, knekelhuis!
‘ga dan niet ver van huis, en weer vooral ook het gespuis van vrouwen buiten uw hart, weer het al uit uw kamer: laat alles wat tot u komt onder groote en oorlogszuchtige namen buiten uw raam in den regen staan: het is slecht te vertrouwen en niets gedaan.
alleen het geruisch van uw bloed en van uw hart het gehamer vervulle uw lichaam, verstaat ge, uw leven, uw kluis. zwicht nooit voor lippen: samenzijn is een leugen en alle kussen verraad; alleen een hart dat tegen eigen ribben slaat is een zuiver hart op een zuivere maat.
zie naar mijzelf. ik heb in mijn jeugd mijn leven verslingerd aan duizend dingen van felle en vurige namen, oproeren, liefdes en wat is het alles tezamen nu nog geweest? over hoeveel zal ik mij niet blijven schamen en hoeveel is er dat misschien nooit geneest?’
de jongen kijkt door de geopende ramen waarlangs de wereld slaat; zonder zich te beraden stapt hij de deur uit, helder en zonder vrees.