Herinnering aan Holland — Analyse van het gedicht

Hendrik MarsmanContemplative

Denkend aan Holland zie ik breede rivieren traag door oneindig laagland gaan,

rijen ondenkbaar ijle populieren als hooge pluimen aan den einder staan;

en in de geweldige ruimte verzonken de boerderijen verspreid door het land,

boomgroepen, dorpen, geknotte torens, kerken en olmen in een grootsch verband.

de lucht hangt er laag en de zon wordt er langzaam in grijze veelkleurige dampen gesmoord,

en in alle gewesten wordt de stem van het water met zijn eeuwige rampen gevreesd en gehoord.

Show the whole poemHide the poem

Learn Poems-app

Probeer de Learn Poems-app

Alles van de website-trainer en meer: nieuwe oefeningen, spraakopname en delen, herinneringen, snel opfrissen.

De Nederlandse dichter Hendrik Marsman opent zijn ‘Herinnering aan Holland’ met een zin die in het taalgeheugen gegrift staat: ‘Denkend aan Holland’. Meteen is duidelijk dat hier geen reisverslag volgt, maar een innerlijk beeld. De dichter kijkt niet naar een weiland; hij roept een land op uit de herinnering. Dat verklaart de monumentale toon: wat in het hoofd ontstaat, kan breder en stiller zijn dan de werkelijkheid. Ook de titel zegt het al: niet Holland zelf wordt beschreven, maar de herinnering eraan, en daarmee ontstaat afstand én idealisering.

Het gedicht bestaat uit zes strofen van vier regels zonder vast rijmschema. De muziek zit vooral in klank en ritme. Door enjambementen vloeien de regels in elkaar over: ‘zie ik breede rivieren / traag door oneindig / laagland gaan’. Dat ‘oneindig’ loopt zelf als het ware over in ‘laagland’, waardoor de lezer de ruimte bijna fysiek ervaart. De lange klinkers in ‘breede rivieren’, ‘traag’ en ‘oneindig’ vertragen het lezen, passend bij het langzame water. Hetzelfde gebeurt met ‘rijen ondenkbaar / ijle populieren’. De alliteratie en de ijle klanken maken de bomen licht en doorzichtig. De ouderwetse spelling van ‘breede’, ‘hooge’ en ‘grootsch’ geeft het geheel bovendien een tijdloze plechtigheid. De regels zijn niet strak jambisch, maar door de wisselende lengte ontstaat een deinend ritme, alsof het water zelf over het laagland stroomt. Marsman zet geen realistisch landschap neer, maar een panorama van bijna abstracte vormen.

De beeldspraak versterkt dat. Populieren worden ‘hooge pluimen / aan den einder’, alsof de bomen veren zijn aan de horizon. Boerderijen zijn niet gebouwd maar ‘in de geweldige ruimte verzonken’; ze gaan op in een landschap dat groter is dan zijzelf. Vervolgens stapelen de beelden zich op: ‘boomgroepen, dorpen, geknotte torens, kerken en olmen / in een grootsch verband.’ Het zijn kale zelfstandige naamwoorden zonder werkwoorden, waardoor het landschap stilstaat als een schilderij. Toch is er een ordening: het woord ‘grootsch verband’ suggereert dat al die losse elementen samen iets betekenen, misschien wel iets gewijds.

De laatste twee strofen verschuiven van het oog naar het oor en de huid. De lucht ‘hangt er laag’ en de zon wordt ‘in grijze veelkleurige dampen gesmoord’. Dat is een opvallende paradox: grijs is juist de kleur zonder kleur, maar hier blijkt grijs vele tinten te bevatten. Het werkwoord ‘gesmoord’ geeft de zonsondergang iets benauwends; het licht sterft langzaam weg. Dan klinkt de laatste regel: ‘in alle gewesten / wordt de stem van het water / met zijn eeuwige rampen / gevreesd en gehoord.’ De klanken doen daarin mee: de herhaling van ge- in ‘gevreesd en gehoord’ maakt van vrees en luisteren één gespannen aandacht. Water krijgt een stem en wordt in alle gewesten tegelijk gehoord. Dat is meer dan een landschapselement; het is een permanente dreiging. Het woord ‘eeuwige’ maakt van overstromingen geen incident, maar een oerkracht die bij Holland hoort. Vooral het slotwoord ‘gehoord’ blijft naklinken: na al die weidse beelden eindigt het gedicht met luisteren.

Zo wordt de herinnering aan Holland tweeledig: groots en weids, maar ook bedreigd. De dichter bewondert de ruimte, maar hoort in diezelfde ruimte het water dat gevreesd wordt. Die spanning tussen schoonheid en gevaar maakt het gedicht veel meer dan een nostalgisch plaatje. Juist omdat het landschap in de geest wordt opgeroepen, kan het tegelijk oneindig en geladen zijn. Het is een beeld van Holland als een land dat bestaat bij de gratie van water, en dat water nooit vergeet.

Read also

More by Hendrik Marsman

All poems
CheerfulHendrik Marsman

Paradise regained

De zon en de zee springen bliksemend open: waaiers van vuur en zij; langs blauwe bergen van den morgen scheert de wind als een antilope
InspiredHendrik Marsman

De grijsaard en de jongeling

Grootsch en meesleepend wil ik leven! hoort ge dat, vader, moeder, wereld, knekelhuis! ‘ga dan niet ver van huis, en weer vooral ook het gespuis van vrouwen