Marsman roept in deze regels een Hollands landschap op: brede rivieren stromen traag door een eindeloos laagland, ijle populieren staan als pluimen aan de horizon en boerderijen, dorpen en kerktorens liggen verspreid in een wijde, grootse ruimte. De toon is dromerig en bijna plechtig. Het land voelt open en oneindig, terwijl de zon langzaam in lage, grijze dampen wordt gesmoord.
Toch klinkt er ook onbehagen. Overal is de stem van het water te horen, en juist dat water met zijn eeuwige rampen wordt gevreesd. Zo ontstaat een stemming van heimwee en ontzag: Holland is voor de spreker een weids, stil tafereel, maar tegelijk een land dat leeft onder de dreiging van het water.