Slauerhoffs ‘Het einde’ laat een ik-figuur aan het woord die aan één stuk door rusteloos is. Vroeger, diep in het binnenland, werd hij opgegeten door een onstilbaar verdriet: als een gier die aan een lever vreet, zo knaagde het besef dat geen streek op het land hem kon bekoren. Daarom zocht hij de verte op zee. Maar nu hij ver gevaren is en alleen op de oceaan ligt, waar zelfs Tristan da Cunha en Sint-Helena niet boven de horizon uitkomen, trekt iets in hem als een eb terug naar het vaste, bruine land. Zo komt hij tot een somber inzicht: nergens vindt hij vrede, op aarde niet en op zee niet. Alleen de laatste smalle rede van hout in zand, een beeld voor het graf, lijkt rust te geven. De toon is melancholiek en berustend.
Het einde — Samenvatting
Vroeger toen ’k woonde diep in ’t land, Vrat mij onstilbaar wee; Zooals een gier de lever, want Ik wist: geen streek geeft mij bestand, En ’k zocht het ver op zee.
Maar nu ik ver gevaren heb En lag op den oceaan alleen, Waar zelfs Da Cunha en Sint-Heleen Niet boren door de kimmen heen, Voel ik het trekken als een eb
Naar ’t verre, vaste, bruine land... Nu weet ik: nergens vind ik vree, Op aarde niet en niet op zee, Pas aan die laatste smalle ree Van hout in zand.