In ‘De wolken’ kijkt de ik-figuur terug op drie momenten. Als kind lag hij met zijn moeder in de warme hei en riep hij wat hij in de wolken zag: Scandinavië, eenden, een dame, schapen met een herder. Zijn moeder glimlachte, maar hij zag dat ze tegelijk weende. Later keek hij als volwassene niet meer omhoog; hij greep niet naar de vreemde dingen die met hun schaduw langs zijn leven streken. Nu ligt zijn eigen jongen naast hem in de heide en wijst wat hij ziet. Dan schreit de vader zelf en ziet in de verte de wolken waarom zijn moeder destijds schreide.
De toon is teder en weemoedig. Het laat zien hoe kinderlijke verwondering kan verdwijnen, en hoe een ouder via zijn kind weer bij dat gevoel komt, maar nu met het besef van tijd en verlies dat zijn moeder al kende. De wolken verbinden zo moeder, vader en kind.