Het begint met een leeg gevoel. Iemand neemt zich voor een dag te gaan vissen, maar het is geen vrolijk voornemen; hij voelt zich moedeloos. Tussen de lissen maakt hij met de hand een wak in het kroos, een kleine opening in het groene vlies. Die handeling is het keerpunt: onder het oppervlak blijkt geen viswater te liggen, maar een zwarte spiegelgrond waaruit licht omhoog stijgt. In dat licht verschijnt een tuin die nog onbetreden is, en in die tuin een kind aan een schrijftafel. Zo wordt het vissen stilzwijgend vervangen door een blik naar binnen, naar de bron van het schrijven.
Het gedicht groeit uit tot een ars poetica over de ongrijpbaarheid van poëzie. Het kind schrijft op een lei, en de ik herkent het woord onder de griffel als van zichzelf: ‘herkende ik, was van mij.’ Daarna schrijft het kind verder, zonder haast en zonder schroom, en wel alles wat de ik ‘nog ooit te schrijven droom’. Hier toont zich het centrale verlangen: de volwassen dichter hoopt op het volmaakte werk dat nog in hem ligt. Maar zodra hij even knikt dat hij het begrijpt, laat het kind het water beven en wordt de tekst uitgewist. Weten en erkennen blijken niet de weg naar het gedicht, maar juist de verstoring ervan.
De vorm ondersteunt die droomtoestand. Vijf kwatrijnen met afwisselend rijm geven het vers een liedachtige, bijna toverende cadans; de zinnen lopen dikwijls over de regel, waardoor het lezen zelf iets vloeiends krijgt. In het rijm zitten betekenisvolle verbindingen: ‘moedeloos’ rijmt op ‘kroos’, alsof de matheid in het water zelf is gegroeid; ‘wist’ wordt opgenomen in ‘uitgewist’, zodat het weten letterlijk in het wissen zit. Ook ‘even’ en ‘beven’ versterken elkaar: een heel kleine bevestiging is al genoeg om alles te laten trillen.
De beeldtaal is eenvoudig en toch scherp gekozen. De ‘zwarte spiegelgrond’ verbindt diepte en weerspiegeling, de buitenwereld en het innerlijk. Het ‘wak’ is een doorkijkje naar een andere wereld, maar het blijft kwetsbaar, een opening in iets dat weer kan dichtgroeien. De ‘tuin onbetreden’ suggereert een oorspronkelijke, ongebroken plek; de griffel en de lei horen bij een kinderlijke, uitwisbare vorm van schrijven. Juist omdat een lei geen definitief spoor bewaart, past zij bij deze tekst die alleen bestaat zolang hij niet wordt vastgelegd. Het kind schrijft zonder haast en zonder schroom, terwijl de ik in de eerste strofe moedeloos is. Die tegenstelling blijft onder de oppervlakte, maar geeft het geheel spanning.
Opvallend is dat het kind eerst ‘het’ wordt genoemd en in de laatste strofe ‘hij’: het krijgt een eigen wil en wordt een tegenover. Wat eerst een herkend deel van de ik lijkt, blijkt een zelfstandige scheppende kracht die zich niet laat vasthouden. De titel ‘Het kind en ik’ benadrukt die dubbelheid: het kind staat voorop, het is niet simpelweg een versie van de volwassene, maar een gesprekspartner, of een spiegel die terugslaat. Daarmee raakt het gedicht aan wat veel kunstenaars herkennen: het beste werk ontstaat niet door beheersing, maar door het loslaten van de greep. Nijhoff verwoordt dat zonder zware theorie; hij gebruikt een bijna sprookjesachtige scène, een kind in een tuin onder water, om de paradox van het scheppen vorm te geven. Het beeld van het bewegende water dat het ideale gedicht uitwist, blijft achter als besef dat poëzie zich toont en weer verdwijnt, niet iets is wat men kan bezitten.