In ‘Het kind en ik’ zit een moedeloze ik-figuur aan het water. Hij maakt een opening in het kroos en ziet in de donkere weerspiegeling een tuin met een kind. Dat kind schrijft aan een schooltafel woorden op een lei. De ik herkent zijn eigen woord, maar pas wanneer hij knikt dat hij het begrijpt, laat het kind het water trillen en wordt alles uitgewist. Het gedicht voelt als een droom over het schrijven zelf: de taal komt uit een diepe, stille laag in jezelf, als een kind dat speels en zonder angst opschrijft wat jij eigenlijk zou willen zeggen. Zodra je die woorden echter bewust vastpakt en denkt: ja, dat is het, verdwijnt de betovering. Wat blijft is een mengeling van hoop, heimwee en het besef dat de mooiste regels vaak ongrijpbaar zijn.
Het kind en ik — Samenvatting
Ik zou een dag uit vissen, ik voelde mij moedeloos. Ik maakte tussen de lissen met de hand een wak in het kroos.
Er steeg licht op van beneden uit de zwarte spiegelgrond. Ik zag een tuin onbetreden en een kind dat daar stond.
Het stond aan zijn schrijftafel te schrijven op een lei. Het woord onder de griffel herkende ik, was van mij.
Maar toen heeft het geschreven, zonder haast en zonder schroom, al wat ik van mijn leven nog ooit te schrijven droom.
En telkens als ik even knikte dat ik het wist, liet hij het water beven en het werd uitgewist.