Impasse — Analyse van het gedicht

Wij stonden in de keuken, zij en ik. Ik dacht al dagen lang: vraag het vandaag. Maar omdat ik mij schaamde voor mijn vraag wachtte ik het onbewaakte ogenblik.

Maar nu, haar bezig ziend in haar bedrijf, en de kans hebbend die ik hebben wou dat zij onvoorbereid antwoorden zou, vroeg ik: waarover wil je dat ik schrijf?

Juist vangt de fluitketel te fluiten aan, haar hullend in een wolk die opwaarts schiet naar de glycine door het tuimelraam.

Dan antwoordt zij, terwijl zij langzaamaan druppelend water op de koffie giet en zich de geur verbreidt: ik weet het niet.

Toon het hele gedichtGedicht inklappen

Learn Poems-app

Probeer de Learn Poems-app

Alles van de website-trainer en meer: nieuwe oefeningen, spraakopname en delen, herinneringen, snel opfrissen.

Een keuken, een fluitketel, koffiegeur en één prangende vraag: waarover moet ik schrijven? In Martinus Nijhoffs sonnet «Impasse» blijkt juist die vraag, gesteld op een onbewaakt ogenblik, genoeg stof voor een gedicht. De ik-figuur staat met een vrouw in de keuken en wil al dagen iets vragen. Hij schaamt zich, wacht zijn kans af en vraagt dan, terwijl zij bezig is met koffiezetten: “waarover wil je dat ik schrijf?” Haar antwoord komt pas nadat de fluitketel is gaan fluiten, stoom als een wolk opstijgt naar de glycine en de koffiegeur zich verspreidt. “Ik weet het niet”, zegt zij. Daarmee eindigt het gedicht, en juist dat niet-weten blijkt de poëzie te voeden.

De situatie lijkt alledaags, maar de titel geeft het tafereel een gewichtige lading: een impasse is een vastgelopen situatie, een moment waarop geen vooruitgang mogelijk lijkt. De spreker zit met een schrijfblokkade en legt de verantwoordelijkheid voor een onderwerp bij de ander. Zij kan hem echter niets voorschrijven. Toch ontstaat er geen zwijgen of mislukking; het gedicht is er al, en het beschrijft precies hoe er geen antwoord komt. De impasse wordt inhoud in plaats van obstakel. Het dagelijkse keukenritueel – water dat op koffie druppelt, geur die zich verbreidt – vult de leegte van het niet-weten op.

De bouw ondersteunt die beweging. Het is een sonnet: twee kwatrijnen met omarmend rijm, gevolgd door twee terzetten. In de eerste acht regels domineren spanning en uitstel; de ik denkt al dagen “vraag het vandaag”, maar schaamte houdt hem tegen en hij wacht op “het onbewaakte ogenblik”. De herhaling van “vraag” en de woorden “onbewaakt” en “onvoorbereid” maken duidelijk dat hij een spontane, onbeschermde reactie wil. In de tweede strofe is het ritme even talmend als zijn wachten: de zin loopt over drie regels door en creëert een ademloze aanloop naar de vraag. Bij regel acht wordt de vraag eindelijk gesteld.

Dan kantelt het sonnet. “Juist vangt de fluitketel te fluiten aan” is een prachtig getimed intermezzo. Het woord “juist” markeert de gelijktijdigheid: op hetzelfde moment dat de spreker zijn vraag uitspreekt, doorbreekt het fluiten de stilte. De stoom hult haar “in een wolk die opwaarts schiet / naar de glycine door het tuimelraam.” Die opwaartse beweging geeft het gewone keukenbeeld iets lichts, bijna iets verhevens. Een wolk kan een teken zijn, een manier van de dagelijkheid om te antwoorden zonder woorden. De glycine, een bloeiende klimplant, verbindt de binnenruimte met de tuin, de huishouding met de natuur. Het is alsof er buiten, achter het raam, toch een wereld openstaat.

In de slotterzetten wordt het antwoord gegeven, maar traag. “Dan antwoordt zij, terwijl zij langzaamaan / druppelend water op de koffie giet / en zich de geur verbreidt: ik weet het niet.” De woorden “langzaamaan” en “druppelend” rekken het moment op; de geur verspreidt zich terwijl de zin zijn einde nadert. Het antwoord zelf klinkt kaal, maar wordt omringd door zintuiglijke rijkdom: geluid, stoom, geur. Zo zegt de tekst indirect wat de spreekster hardop ontkent: een onderwerp is niet iets wat je kiest of opgedragen krijgt, maar iets wat zich aandient in een gewaarwording, een blik, een fluitketel die op tijd begint te fluiten.

Daarin ligt de betekenis van «Impasse». Nijhoff, een van de belangrijkste Nederlandse dichters van de vorige eeuw, laat zien dat een sonnet geen hoogdravend onderwerp nodig heeft. Het kan gebouwd worden rond een keuken, schaamte, uitstel en koffie. De vaste vorm is geen keurslijf maar een ordening die juist de aarzeling en het niet-weten hoorbaar maakt. De laatste regel, “ik weet het niet”, is tegelijk een opgave en een vondst: uit een impasse ontstaat een gedicht. Zo wordt de gewoonste werkelijkheid, haast terloops, lyrisch en raadselachtig.

Lees ook

Meer van Martinus Nijhoff

Alle gedichten
PeinzendMartinus Nijhoff

De wolken

Ik droeg nog kleine kleeren, en ik lag Lang-uit met moeder in de warme hei, De wolken schoven boven ons voorbij En moeder vroeg wat 'k in de wolken zag.
DromerigMartinus Nijhoff

Het kind en ik

Ik zou een dag uit vissen, ik voelde mij moedeloos. Ik maakte tussen de lissen met de hand een wak in het kroos.