In een keuken staan een ik-figuur en een vrouw. Hij wil haar al dagen iets vragen, maar schaamt zich en wacht op een onbewaakt ogenblik. Als zij bezig is, krijgt hij zijn kans en vraagt: waarover wil je dat ik schrijf? Juist dan begint de fluitketel te fluiten; een wolk stoom hult haar en stijgt op naar de glycine bij het tuimelraam. Terwijl zij langzaam water op de koffie giet en de geur zich verspreidt, zegt ze: ik weet het niet.
De spreker hoopt dat zij hem een onderwerp aanreikt voor zijn schrijven, maar haar antwoord geeft geen richting. Zijn schaamte en uitstel maken het moment kwetsbaar; het fluiten van de ketel en het koffiezetten houden de scène intiem en alledaags. De sfeer is ingehouden, bijna gespannen, maar ook huiselijk. Uiteindelijk blijft hij met lege handen achter terwijl het gewone leven doorgaat.