Sonnetten I — Analyse van het gedicht

Sonnetten hier, sonnetten daar! Een wereld vol sonnetten! Men is er machtig gauw mee klaar In spijt der stipte wetten. Al loopt de zin wel wat gevaar, Daar valt niet op te letten; Het fijne van de mis is maar Ze goed ineen te zetten.

Een klinkdicht - als 't in 't Hollandsch heet - Heeft niets te doen dan klinken; En hebt gij daar den slag voor beet, Uw roem zal eeuwig blinken... Zie zoo; het mijne is ook gereed, En hoor het eens rinkinken!

Show the whole poemHide the poem

Learn Poems-app

Probeer de Learn Poems-app

Alles van de website-trainer en meer: nieuwe oefeningen, spraakopname en delen, herinneringen, snel opfrissen.

Nicolaas Beets, die vooral bekend werd als Hildebrand van Camera Obscura, schreef ook poëzie. In ‘Sonnetten I’ zet hij een poëziemode neer waarin het sonnet overal opduikt. De beginregels zijn meteen een uitroep vol ironie: ‘Sonnetten hier, sonnetten daar! / Een wereld vol sonnetten!’ De dichter drijft de spot met de massaproductie van wie denkt dat een sonnet ‘machtig gauw’ klaar is, ‘in spijt der stipte wetten’. ‘Al loopt de zin wel wat gevaar, / Daar valt niet op te letten,’ heet het; de enige finesse zou zijn de onderdelen goed in elkaar te zetten. Dat is de kern van de spot: een vorm met strenge regels wordt behandeld als een bouwpakket dat even in elkaar klikt.

Het gedicht is tegelijk een voorbeeld van wat het bespot. Het telt veertien regels, zoals een sonnet betaamt, maar het rijmschema is opvallend simpel: in het octaaf blijft alles hangen op de klank ‘-etten’, in het sextet op ‘-inken’. Wie hardop leest, hoort een huppelend, bijna deunachtig ritme van om en om acht en zeven lettergrepen. De ‘stipte wetten’ van het klassieke klinkdicht lijken hiermee aan de kant geschoven; wat overblijft is een meezingbare versregel. Zo maakt de vorm de boodschap hoorbaar: het sonnet is veranderd in een deuntje. Ook de opbouw heeft een komisch effect. Het octaaf schetst de overvloed, het sextet definieert vervolgens wat een klinkdicht in deze mode moet zijn en eindigt met een demonstratie; die overgang is een ironische echo van de traditionele wending in een sonnet.

Vooral in het sextet speelt Beets met taal. Het Nederlandse woord ‘klinkdicht’ wordt letterlijk genomen: zo’n gedicht hoeft alleen maar te klinken. Opvallend is de reeks ‘klinken’, ‘blinken’ en het bijna kinderlijke ‘rinkinken’. Eerst klinkt het nog verheven, met roem die ‘eeuwig blinken’ zal, maar het laatste woord maakt de pretentie belachelijk. ‘Rinkinken’ roept een schel, hol geluid op, alsof er met een bosje sleutels of een blikje wordt geschud. De slotregel is een uitnodiging aan de lezer: ‘hoor het eens rinkinken’. Daarmee levert de dichter zijn eigen sonnet af als een knipoog. ‘Zie zoo; het mijne is ook gereed,’ schrijft hij, alsof hij zichzelf in de rij van gemakzuchtige sonnetschrijvers plaatst.

Die zelfspot is belangrijk. De dichter veroordeelt niet alleen anderen, maar laat zijn eigen gedicht meedoen aan het bedrog. De lezer hoort een sonnet dat netjes klinkt en toch niets zegt; juist daardoor wordt duidelijk hoe leeg een gedicht wordt wanneer klank in de plaats komt van betekenis. De ‘eeuwige roem’ wordt een holle belofte: wie de slag snel beet heeft, blinkt misschien even, maar het gerinkel blijft oppervlakkig. In die zin is ‘Sonnetten I’ meer dan een grap. Het is een poëticaal zelfportret in de vorm van een parodie: een sonnet dat demonstreert wat er gebeurt als een klinkdicht alleen nog maar klinkt.

Zo blijft ‘Sonnetten I’ een spiegel voor elke maker van verzen. De slotregel is dubbelzinnig: je moet horen hoe leuk het rammelt, maar ook hoe hol het is. Beets laat zien dat een vorm die alleen nog om uiterlijk effect draait, haar zeggingskracht verliest. De woorden mogen dan netjes in elkaar zijn gezet, maar wanneer ze enkel rinkinken, blijft een gedicht een lege klankdoos: het maakt geluid, maar het zegt niets.

Read also