Nicolaas Beets spot in deze regels met het gemak waarmee iedereen sonnetten leek te schrijven. De spreker klinkt geamuseerd en plagerig: er is een wereld vol sonnetten, en je bent er “machtig gauw mee klaar”, ook al houden de regels zich nauwelijks aan de strenge vorm. Het draait volgens hem niet om betekenis, maar om knutselwerk en vooral om hoe het geheel klinkt. Een klinkdicht hoeft alleen maar te klinken; wie dat trucje beheerst, wacht eeuwige roem. De overdrijving in “Uw roem zal eeuwig blinken” maakt de ironie extra duidelijk. Daarna maakt hij de grap af: zijn eigen sonnet is ook al klaar, en het mag “rinkinken”. Zo wordt het gedicht zelf een voorbeeld van de holle sonnettenproductie die het bespot. Door die zelfspot voelt het geheel licht, spottend en nergens belerend aan. Het is een ondeugend commentaar op een literaire mode, geen zware kritiek.
Sonnetten I — Samenvatting
Sonnetten hier, sonnetten daar! Een wereld vol sonnetten! Men is er machtig gauw mee klaar In spijt der stipte wetten. Al loopt de zin wel wat gevaar, Daar valt niet op te letten; Het fijne van de mis is maar Ze goed ineen te zetten.
Een klinkdicht - als 't in 't Hollandsch heet - Heeft niets te doen dan klinken; En hebt gij daar den slag voor beet, Uw roem zal eeuwig blinken... Zie zoo; het mijne is ook gereed, En hoor het eens rinkinken!