Tussen slapen en waken ligt een ogenblik waarop de wereld nog niet vanzelfspreekt. In “Marc groet ’s morgens de dingen” vangt Paul van Ostaijen dat ogenblik: de stem van Marc klinkt kinderlijk en begint de dag met een groet aan alles wat zijn blik tegenkomt. Geen verheven onderwerpen, maar een vaas, een stoel, een brood op tafel en een visserke-vis. De dingen worden aangesproken alsof het vertrouwde vrienden zijn, en juist die aanspreking is het onderwerp. Het gedicht beschrijft niet hoe een ochtend eruitziet; het voert een ochtendritueel uit.
De tekst beweegt als een kleine litanie. “Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem” klinkt meteen als een vinger die aanwijst: het beschilderde ventje, de fiets, de vaas en de bloem versmelten tot één wonderlijk wezen. Dan volgt “ploem ploem”: geen bestaand woord, maar een klankbloesem die het beeld niet beschrijft maar even doet bloeien. De herhaling van “dag” geeft de tekst een deuntje, zonder dat er strak rijm of metrum ontstaat. Ritme komt eerder uit de parallelle bouw: “dag stoel naast de tafel / dag brood op de tafel”. De stoel en het brood krijgen door hun plaatsing naast elkaar iets intiems, alsof ze ’s nachts gezelschap aan elkaar hebben gehad. De verkleinwoorden “ventje” en later “visselijn” maken alles klein en aaibaar.
Opvallend is dat de titel ‘dingen’ zegt, terwijl de tekst overal levende wezens van maakt. Het visserke-vis wordt eerst met pijp, dan met pet begroet, waarna “pet en pijp / van het visserke-vis” bijna als een eigenwijs deuntje klinkt. Het alleenstaande “en” doet denken aan een kind dat even zoekt wat het nu weer ziet; de pauze hoort bij het kijken. De droomachtige logica laat een vis en een visser samenvallen tot een klein wezen met attributen. Daardoor blijft het gewone niet gewoon. Zelfs iets simpels als een stoel is niet langer alleen een meubel, maar een aanspreekbare aanwezigheid.
De tederheid wordt sterker aan het slot. “Daa-ag vis” rekt de klinkers alsof Marc het afscheid uitzingt, met een liggend streepje als een kleine uithaal. “dag lieve vis / dag klein visselijn mijn” stapelt verkleinwoord en bezitsvorm tot een innige zegening. Het woord “visselijn” bestaat niet in het standaard-Nederlands, maar klinkt als een koosnaam die alleen tussen Marc en de vis bestaat. Het bezittelijk “mijn” achteraan maakt van de vis geen ding meer, maar een geliefde. De ochtendgroet is daarmee meer dan beleefdheid: het is een vorm van aandacht, een manier om de wereld bewoonbaar en vriendelijk te maken.
De taal doet bovendien meer dan mededelen; ze is zelf zintuiglijk. De dubbele ‘o’ in “ploem ploem” is rond als een bloemkroon, de herhaalde p in “pet en pijp” geeft een licht staccato, en de aa in “Daa-ag” maakt het afscheid wijd. Door zulke klanken wordt het gedicht een kleine muziekpartituur. Zelfs de afbrekingen spelen mee: doordat “goeiendag” apart staat, krijgt het gewone woord iets plechtigs, alsof de lijst even ademhaalt voor het afscheid van de vis. Zo ontstaat een samenspel van kijken, horen en aanraken zonder dat er omslachtige beeldspraak aan te pas komt.
Van Ostaijen (1896-1928) geldt als een van de belangrijkste Vlaamse modernisten, en zijn kracht ligt hier in eenvoud: hij laat zien dat poëzie niet groot of plechtig hoeft te zijn om iets wezenlijks te zeggen. Door “dingen” te groeten, verandert Marc de ochtend in een ritueel zonder god of leer; de dingen zelf worden de heiligen van het alledaagse. De taal is daarbij geen versiering maar een daad. “Dag” is hier geen leeg tussenwerpsel, maar een geschenk aan de dingen. Klank en betekenis vloeien in elkaar over: “ploem ploem” is tegelijk bloem, bloei en kinderlijke verbazing. Die vrijheid maakt de tekst licht en raak.
Zo blijft “Marc groet ’s morgens de dingen” een vriendelijk manifest: wie groet, weigert de wereld als gewoon te zien. De dingen hoeven niet nuttig of bijzonder te zijn; ze hoeven alleen maar opgemerkt te worden. Elke ochtend kan opnieuw beginnen met een vaas, een brood, een stoel en een vis. En misschien is dat precies wat poëzie kan doen: het alledaagse zó aankijken dat het even terugkijkt.