“Herdenking” van A.C.W. Staring roept een voorjaarsherinnering op die in twee bewegingen verloopt. Eerst is er een beschutte, levendige middag bij een plas; daarna valt de avond stil en luisteren twee mensen naar het lied van de mei. De kern van het gedicht is niet wat er wordt herdacht, maar hoe herdenken zich voltrekt: als aandachtig zwijgen in een landschap dat zelf tot rust komt.
Staring (1767-1840) stond als Gelders landgoedbewoner dicht bij het landleven; in zijn poëzie wordt die buitenwereld vaak drager van een stemming. Hier gebeurt dat opmerkelijk strak. Het gedicht bestaat uit twee strofen van zes regels met het rijmschema ababcc. De afwisseling van langere en kortere regels geeft de eerste strofe iets beweeglijks, alsof de versregels meeglijden met de zwaluw over het weiland. Het afsluitende rijmwoordpaar vormt telkens een rustpunt: ‘belaân’ en ‘wilgenblaân’ verbinden geur en blad, ‘avendlied’ en ‘niet’ verbinden zang en stilte.
In de eerste strofe is alles zintuiglijk en dichtbij. De spreker en een ander ‘schuilden onder drupplend loover’, gedoken aan de plas. Het woord ‘gedoken’ maakt van hen geen toeschouwers, maar bijna verborgen aanwezigen. De regen is net voorbij: het loof druppelt nog, het gras is ‘zilvren’, alsof het licht in de natte halmen blijft hangen. Een zwaluw glipt over het weivlak en speelt om het gras; een koeltje blaast geur door de wilgenblaân. Staring stapelt hier geen details, maar kiest werkwoorden die snelheid en leven suggereren: glippen, spelen, blazen. Zelfs het leven zelf wordt als het ware door de wind in de wilgen geblazen.
De tweede strofe keert dat beeld bijna volledig om. ‘Nu zwegen koelte en lentedroppen’ — wat eerst bewoog en geurde, is tot zwijgen gekomen. Geen vogel zwierf meer om. In plaats van druppels is er nu dauw, die langs de heuveltoppen trekt waarachter het westen glom. Het licht is geen zilver meer op gras vlakbij, maar een gloed aan de horizon. De beweging is traag geworden, bijna plechtig. Dan klinkt er toch één geluid: ‘Daar zong de Mei zijn avendlied!’ De maand Mei is hier als een zanger, en dat ‘lied’ maakt van de avond een kort moment van afscheid. Het woord ‘Daar’ is belangrijk: de zang klinkt van verder weg, alsof het landschap zelf de herdenking overneemt.
De slotregel vormt de emotionele kern: ‘Wij hoorden ’t, en wij spraken niet.’ Tegenover het lied staat niet een antwoord, maar het zwijgen van de twee aanwezigen. Het werkwoord ‘spraken’ valt extra op omdat het een bewuste keuze suggereert: zij hadden kunnen spreken, maar doen het niet. Hun zwijgen is geen leegte, maar een manier van luisteren. Juist daardoor wordt de titel ‘Herdenking’ duidelijk. Wat er precies herdacht wordt, blijft ongenoemd; het gedicht draait om de houding van het herdenken zelf. De natuur biedt daarvoor het ritme: van druppel naar dauw, van beweging naar stilte, van dag naar avond.
Daarmee is het gedicht meer dan een sfeertekening. In twee compacte strofen laat Staring zien hoe een landschap een innerlijke geste kan belichamen. De vaste rijmen en het afsluitende couplet geven de herinnering iets ceremonieels, terwijl de beelden concreet en eenvoudig blijven. De herdenking voltrekt zich niet in woorden, maar in het niet-spreken van mensen die samen naar dezelfde avond luisteren. Dat maakt ‘Herdenking’ tot een klein, stil monument in taal.