‘Avond’ van C.S. Adama van Scheltema begint als een verstilde, bijna feestelijke avondimpressie. De aarde geurde ‘als ’n bruidsboeket’, de hemel beurde ‘een rozenbed’, de stilte bloeide en de vermoeide dag rustte overal. Pas in de derde strofe verschijnt er een mens: een arm mensch leunt in de schemering en kreunt in zijn tranen één woord, ‘lieveling’. Die overgang van geur en rust naar een eenzame snik is de kern van het gedicht. De wereld lijkt harmonieus en vol belofte, maar het menselijk hart blijft buiten die harmonie staan.
De vorm onderstreept dat contrast. De drie strofen bestaan uit korte, gedrongen regels, waardoor het geheel iets ademloos krijgt. In de eerste twee strofen zorgt het afwisselende rijm voor een gesloten klank: geurde rijmt op beurde, stom op alom. De avond klinkt daardoor als een afgerond liedje, als een moment dat evenwicht heeft gevonden. In de slotstrofe wordt de klank onrustiger: leunde en kreunde rijmen wel, maar de dubbele gedachtestreepjes en de uitroep breken de vloeiende toon. Het ritme hapert als een stem die zich inhoudt.
De beeldtaal is zintuiglijk en tegelijk overvloedig. Een bruidsboeket hoort bij een begin, een feest, een belofte; een rozenbed roept zachtheid en liefde op. Aarde en hemel lijken samen één groot liefdesbed te vormen. Het bijzondere werkwoord beurde versterkt die indruk: de hemel tilt of draagt dat rozenbed alsof het iets kostbaars is. Daarna verschuift de aandacht van geur naar geluid. De stilte bloeit en alles wordt stom, een dubbele verwijzing naar zwijgen die het oor als het ware leeg maakt voor wat komen gaat. De dag is niet zomaar voorbij, maar vermoeid; hij rust alom. Dat bijwoord alom is veelzeggend: de rust is overal, behalve bij de mens in de laatste strofe.
Die mens wordt in één bijvoeglijk naamwoord getekend: arm. Dat kan materiële armoede betekenen of beklagenswaardig zijn; in beide gevallen staat hij buiten het bruidsbed van de aarde. Hij ligt niet, maar leunt, alsof hij geen rust kan vinden. De schemering is een grensgebied tussen licht en donker, passend bij iemand die tussen overgave en verdriet hangt. De dubbele streepjes in ‘In de schemering — —’ maken de mededeling haperend, alsof de dichter even stopt. Dan volgt de aanspreking ‘lieveling’, gescheiden door nog een streep. Dat ene woord is intiem en tegelijk radeloos. Het richt zich tot iemand die afwezig is, misschien verloren of gestorven; het gedicht geeft geen uitleg. Juist daardoor blijft het verdriet niet netjes ingekaderd, maar klinkt het als een rauwe snik in de stilte.
Daarin ligt de betekenis van ‘Avond’. Het is geen idyllisch landschap dat troost belooft, maar een scherpe observatie dat schoonheid en eenzaamheid naast elkaar kunnen bestaan. De natuur is een bruidsboeket, de dag komt tot rust, en toch is er iemand voor wie de avond alleen gemis versterkt. Het gedicht legt niets uit en biedt geen oplossing; het laat alleen een kreet achter. Daardoor blijft de tegenstelling hangen: de wereld slaapt, terwijl ergens in de schemering een mens wakker blijft met één woord op de lippen.