Adama van Scheltema schetst een avond die zintuiglijk overweldigend begint: de aarde geurt als een bruidsboeket en de hemel lijkt een rozenbed te dragen. De stilte krijgt iets bloeiends, de vermoeide dag rust overal. Die zoete, bijna bruidsachtige sfeer wordt in de slotstrofe bruusk doorbroken. In de schemering leunt een arm mens — arm in de zin van zielig, eenzaam — en kreunt in zijn tranen het woord “lieveling”. De pracht van de avond staat daardoor scherp tegenover innerlijke pijn, rouw of verlangen. Het gedicht maakt voelbaar hoe iemand midden in een mooie, verstilde wereld volkomen alleen kan zijn met verdriet. De natuur troost niet; ze vormt juist een contrast met de menselijke stem die om een geliefde roept.
Avond — Samenvatting
De aarde geurde Als 'n bruidsboeket, De hemel beurde Een rozenbed.
De stilte bloeide, Alles werd stom — De dag—vermoeide Rustte alom.
Een arm mensch leunde In de schemering — — In zijn tranen kreunde Hij: — lieveling!