Een lenteachtig heuvellandschap komt tot leven: bomen golven, hun kruinen blijven stil in de nevel, en zacht lentelicht ligt over alles. Midden in dat landschap staat een toren die deftig de tijd lijkt aan te wijzen. De ik-figuur kan die uitgestrektheid nauwelijks aan: het moment duurt en duurt, en juist de combinatie van beweging, licht en waardigheid roept een bijna verstikkende opwinding op. Er kriebelt een lach op die de ik-figuur haast niet kan verdragen. Daardoor ontstaat een koortsachtige, extatische sfeer: het buitenbeeld is helder en lieflijk, maar de waarneming wordt zo intens dat ze bijna te veel wordt. De statige stille toren en de golvende bomen creëren bovendien een spanning tussen rust en beweging, en de herhaling van ‘uren, uren, uren’ versterkt het gevoel van een ogenblik dat zich eindeloos oprekt.
De boomen golven op de heuvelen — Samenvatting
De boomen golven op de heuvelen boomhoofden stil in de nevelen lentelichte zacht lentelicht. De toren met zijn gezicht daar midden in wijst deftig nog uren, verbeel je uren, uren, uren — 't is om te stikken in deze oogenblikken, het kriebelend lachen ik kan het haast niet verdragen, ik stik in dit krankzinnige lichte deftige oogenblik.