In deze strofen staat een ik-figuur bij zijn oude woonhuis, omringd door peppels. Telkens klinkt dezelfde klacht: “mijn lief, mijn lief, o waar gebleven.” Die herhaling maakt het gemis voelbaar. Het regent eentonig, natte bladeren vallen op een smalle laan en de wind valt stil. Het huis zelf is hol en donker; alleen op zolder klinkt gefluister. Daar zit iemand voorovergebogen, met lege ogen, die geen vrede of rust meer vindt.
Alles ademt rouw en eenzaamheid. De spreker lijkt gevangen in een verdriet dat niet overgaat: de natuur, het huis en de mens zijn even stil en leeg geworden. Het gedicht voelt daardoor niet als een uitbarsting van pijn, maar als een ingehouden, bijna ritmisch treuren. De herhaalde vraag aan de verdwenen geliefde geeft de lezer het gevoel dat er al heel lang gewacht wordt, zonder antwoord.