Om mijn oud woonhuis peppels staan — Analyse van het gedicht

OM mijn oud woonhuis peppels staan ‘mijn lief, mijn lief, o waar gebleven’ een smalle laan van natte blaren, het vallen komt.

Het regent, regent eender te hooren ‘mijn lief, mijn lief, o waar gebleven’ en altijd door en den treuren uit, de wind verstomt.

Het huis is hol en vol duisternis ‘mijn lief, mijn lief, o waar gebleven’ gefluister is boven op zolder, het dakgebint.

Er woont er een voorovergebogen ‘mijn lief, mijn lief, o waar gebleven’ met leege oogen en die zijn vrede en rust niet vindt.

Show the whole poemHide the poem

Learn Poems-app

Probeer de Learn Poems-app

Alles van de website-trainer en meer: nieuwe oefeningen, spraakopname en delen, herinneringen, snel opfrissen.

Als een terugkerende ademhaling schuift de regel ‘mijn lief, mijn lief, o waar gebleven’ door alle vier de strofen. Die weeklacht is niet zomaar een refrein: hij snijdt telkens door de beschrijving heen, alsof het verdriet geen rust kent en ieder beeld van huis en landschap aantast. Het gedicht beschrijft een oud woonhuis tussen populieren, een smalle laan met natte bladeren, regen, duisternis en ten slotte een voorovergebogen gestalte. Wat het toont is geen verhaal, maar een toestand: een huis en een spreker, beide gevuld met afwezigheid.

De bouw versterkt die obsessie. Elke strofe bestaat uit vier regels waarvan de tweede altijd dezelfde klacht is. De omliggende regels blijven kort en fragmentarisch; de eerste en derde regel rijmen vaak (‘staan’ op ‘laan’, ‘voorovergebogen’ op ‘oogen’), terwijl de vierde regel rijmloos blijft. Daardoor voelt elke strofe aan als een zin die niet afkomt, een beweging die telkens strandt. Het enjambement ‘en altijd door en / den treuren uit, de wind verstomt’ rukt de zin open, zoals het gewone spreken hapert wanneer iemand huilt. De regen wordt niet alleen genoemd, hij is hoorbaar in de herhaling van ‘regent, regent’ en in de eentonige klank van ‘eender te hooren’. Alles keert terug: de regel, de regen, het vallen, de stilte die weer verbroken wordt door gefluister.

De beelden vormen samen een herfstig landschap dat naar binnen slaat. Buiten staan populieren, hun bladeren vallen; de laan is nat. Het woord ‘vallen’ hangt aan het einde van de strofe en wordt niet ingevuld door een onderwerp, waardoor het dreigend en onvermijdelijk klinkt. Vervolgens regent het ‘eender te hooren’: het geluid van de regen is niet te onderscheiden van de klacht, of misschien maakt de klacht alle geluiden gelijk. De wind verstomt, maar het spreken van de ik gaat door. Binnen is het huis ‘hol en vol duisternis’ – een paradox waarin leegte en volheid samenvallen. Het gefluister dat ‘boven op zolder’ klinkt, wekt de indruk dat het huis zelf herinnert. De dakgebinten, normaal dragende structuur, worden zo met het gefluister verbonden: wat overeind blijft, is niet hout, maar een stem die niet zwijgt.

In de laatste strofe verschijnt een mens: ‘er woont er een voorovergebogen / met leege oogen’. Die lege ogen spiegelen het holle huis; wie zo buigt, kijkt niet meer naar buiten maar naar binnen. De derde persoon schept afstand alsof de spreker zichzelf van buitenaf ziet. Dat iemand ‘zijn vrede en rust niet vindt’ is het enige zinnetje dat een gemoedstoestand benoemt, maar het klinkt bijna overbodig na al die beelden. Het gedicht zegt daarmee iets over rouw wat een verhaal niet kan: rouw is geen gebeurtenis die voorbijgaat, maar een ruimte waarin je blijft wonen. De geliefde is ‘waar gebleven’, een formule die vragen én stilstaan tegelijk bevat: waarheen gegaan, en tegelijk: waar toch gebleven, niet weg te branden.

Daarom is dit vers zo trefzeker. Het bouwt geen troost op, geen ontwikkeling, geen antwoord. Het herhaalt, laat regenen, laat vallen, laat fluisteren. Juist in die herhaling wordt de afwezigheid voelbaar als aanwezigheid. De lezer hoort de klacht niet van buitenaf, maar wordt erin meegetrokken, alsof het oude woonhuis ook in hem of haar wordt opgetrokken.

Read also

More by J.H. Leopold

All poems
SadJ.H. Leopold

In de bleeke wangen als violen

IN de bleeke wangen als violen de sombere oogen dof gezet, de rijpe mond met de bloedende lippen opeen genepen en dun geplet.