Alpejagerslied — Analyse van het gedicht

Een heer die de straat afdaalt een heer die de straat opklimt twee heren die dalen en klimmen dat is de ene heer daalt en de andere heer klimt vlak vóór de winkel van Hinderickx en Winderickx vlak vóór de winkel van Hinderickx en Winderickx van de beroemde hoedemakers treffen zij elkaar de ene heer neemt zijn hoge hoed in de rechterhand de andere heer neemt zijn hoge hoed in de linkerhand dan gaan de ene en de andere heer de rechtse en de linkse de klimmende en de dalende de rechtse die daalt de linkse die klimt dan gaan beide heren elk met zijn hoge hoed zijn eigen hoge hoed zijn bloedeigen hoge hoed elkaar voorbij vlak vóór de deur van de winkel van Hinderickx en Winderickx van de beroemde hoedemakers dan zetten beide heren de rechtse en de linkse de klimmende en de dalende eenmaal elkaar voorbij hun hoge hoeden weer op het hoofd men versta mij wel elk zet zijn eigen hoed op het eigen hoofd dat is hun recht dat is het recht van deze beide heren

Show the whole poemHide the poem

Learn Poems-app

Probeer de Learn Poems-app

Alles van de website-trainer en meer: nieuwe oefeningen, spraakopname en delen, herinneringen, snel opfrissen.

Twee heren, één straat, één winkel: meer heeft Paul van Ostaijen niet nodig om in «Alpejagerslied» een compleet ceremonieel op te voeren. De ene heer daalt de straat af, de andere klimt de straat op, en vlak vóór de winkel van de beroemde hoedemakers Hinderickx en Winderickx treffen zij elkaar. Wat er gebeurt, is minimaal: de ene neemt zijn hoge hoed in de rechterhand, de andere in de linkerhand, ze gaan elkaar voorbij en zetten daarna elk hun eigen hoed weer op het eigen hoofd. Die gebeurtenis wordt met zoveel precisie en plechtigheid beschreven dat ze vanzelf iets belachelijk groots krijgt. Juist daarin ligt de kern: het gedicht vergroot een alledaagse beleefdheid uit tot een burgerlijk ritueel en laat zo zien hoe leeg dat ritueel is.

De vorm doet hard mee. Van Ostaijen bouwt het gedicht op uit herhalingen en spiegelingen, als een mechaniek dat telkens een klein stapje vooruitgaat. De woorden ‘daalt’ en ‘klimt’ keren terug, net als ‘rechtse’ en ‘linkse’, ‘klimmende’ en ‘dalende’. Daardoor klinkt het alsof de beweging van de twee heren zelf in de taal zit: regels stijgen en dalen, zinnen passeren elkaar. Er is geen traditioneel rijm, maar er zijn wel klankpatronen. De naam ‘Hinderickx en Winderickx’ rolt als een eigen rijmpaar door de tekst; ‘hoge hoed’ en ‘hoedemakers’ kaatsen tegen elkaar. De korte regels geven een staccato ritme, alsof elke stap van de heren afzonderlijk wordt genoteerd. Soms wordt de winkelnaam uitgebreid tot ‘de beroemde hoedemakers’, waardoor een winkelpui bijna een heiligdom wordt.

De hoge hoed groeit in het gedicht uit tot de ware hoofdpersoon. Eerst is er telkens ‘zijn hoge hoed’, dan ‘zijn eigen hoge hoed’ en uiteindelijk ‘zijn bloedeigen hoge hoed’. Dat ‘bloedeigen’ maakt de komische ernst compleet: de hoed is niet zomaar een voorwerp, maar bijna een deel van het lichaam, een bezit dat verdedigd moet worden. De heren wisselen geen woord, ze groeten niet eens hoorbaar; hun hele contact bestaat uit het afnemen en terugzetten van hun hoed. Toch klinkt het slot als een juridische conclusie: ‘men versta mij wel / elk zet zijn eigen hoed op het eigen hoofd / dat is hun recht / dat is het recht van deze beide heren.’ Wat hier regeert, is niet warmte of ontmoeting, maar eigendom en symmetrie. De ene is rechts, de andere links; de ene daalt, de andere klimt. Alles klopt, maar er gebeurt niets.

Daar zit ook de ironie van de titel. Een ‘Alpejagerslied’ belooft avontuur, rotsen en jacht; het gedicht levert een straatje met twee burgers en twee hoge hoeden. Het heldhaftige wordt teruggebracht tot een kleine, bijna absurde choreografie. Tegelijk behandelt Van Ostaijen die choreografie met de ernst van een heldenlied, en dat is precies het komische effect. Zo laat het gedicht zien dat poëzie niet over grootse gebeurtenissen hoeft te gaan: wie aandachtig genoeg kijkt en luistert, kan van een beleefdheidsritueel een ritmisch kunstwerk maken.

Dat maakt «Alpejagerslied» bijzonder. Het is een demonstratie van wat taal kan doen als herhaling en variatie de plaats innemen van verhaal en boodschap. De lezer hoort de cadans, ziet de twee heren als in spiegelbeeld op elkaar afkomen en begrijpt tegelijk waarom dit tafereel zo grappig is: het ritueel is volmaakt, maar volmaakt leeg. Van Ostaijen toont de burgerlijke wereld als een goed geoliede machine, waarin iedereen zijn eigen hoed netjes op zijn eigen hoofd houdt. Precies die combinatie van speelse klank en scherpe waarneming maakt van een onbenullige straatscène een gedicht dat blijft naklinken.

Read also

More by Paul van Ostaijen

All poems
CheerfulPaul van Ostaijen

Boere-charleston

Tulpebollen bolle tulpen tulpetuilen rozetuilen boererozen boerewangen boerelongen boerelongen ballen wangen
CheerfulPaul van Ostaijen

Marc groet 's morgens de dingen

Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem ploem ploem dag stoel naast de tafel dag brood op de tafel