In ‘Alpejagerslied’ wordt een doodgewoon straattafereel bijna een plechtige ceremonie. Twee heren, de ene dalend en de andere klimmend, komen elkaar tegen vlak voor de winkel van de beroemde hoedenmakers Hinderickx en Winderickx. Ze nemen elk hun hoge hoed in de hand, gaan elkaar voorbij en zetten daarna hun eigen hoed weer op het eigen hoofd. De spreker hamert op die precisie: de rechtse en de linkse, de klimmende en de dalende, en vooral dat ieder zijn bloedeigen hoed terugkrijgt. Dat klinkt plechtstatig, maar eigenlijk drijft de spreker een beetje de spot met hoe serieus wij zulke kleine rituelen nemen. De herhalingen geven het gedicht iets zangerigs en kinderlijks, alsof je een telrijm of marslied hoort. De toon is speels en licht ironisch; je voelt dat de spreker met plezier naar deze twee heren kijkt en hun hoedengroet tot een klein, komisch recht verklaart.
Alpejagerslied — Samenvatting
Een heer die de straat afdaalt een heer die de straat opklimt twee heren die dalen en klimmen dat is de ene heer daalt en de andere heer klimt vlak vóór de winkel van Hinderickx en Winderickx vlak vóór de winkel van Hinderickx en Winderickx van de beroemde hoedemakers treffen zij elkaar de ene heer neemt zijn hoge hoed in de rechterhand de andere heer neemt zijn hoge hoed in de linkerhand dan gaan de ene en de andere heer de rechtse en de linkse de klimmende en de dalende de rechtse die daalt de linkse die klimt dan gaan beide heren elk met zijn hoge hoed zijn eigen hoge hoed zijn bloedeigen hoge hoed elkaar voorbij vlak vóór de deur van de winkel van Hinderickx en Winderickx van de beroemde hoedemakers dan zetten beide heren de rechtse en de linkse de klimmende en de dalende eenmaal elkaar voorbij hun hoge hoeden weer op het hoofd men versta mij wel elk zet zijn eigen hoed op het eigen hoofd dat is hun recht dat is het recht van deze beide heren