Van Ostaijen zet hier een uitgelaten boerengezelschap neer dat geen menuet of wals danst, maar een charleston. De tekst is een klankfeest: woorden als ‘tulpebollen’, ‘rozetuilen’, ‘boerewangen’ en ‘ballen bekkens’ rollen over de tong en stuwen het ritme voort, alsof je de dans zelf hoort. De spreker roept vrolijk om zich heen: waar zijn de kleine en de grote bugel, en waar is Gaston met zijn basson? Het antwoord is speels: de instrumenten liggen verstopt bij Rozalie en Melanie, en Gaston zit ‘In de Ton’. Dat zorgt voor een komische, bijna kluchtige sfeer. Het gedicht voelt als een dorpsfeest of een carnavaleske optocht: vol herrie, beweging en plezier, met namen die zangerig klinken en herhalingen die aanstekelijk werken. Het gaat niet om een verhaal, maar om klank, ritme en het plezier van muziek maken.
Boere-charleston — Samenvatting
Tulpebollen bolle tulpen tulpetuilen rozetuilen boererozen boerewangen boerelongen boerelongen ballen wangen wangen ballen bekkens ballen bolle bekkens bugel en basson - o hop! wie heeft er de kleine bugel gezien wie heeft er de grote bugel gezien en wie Gaston met zijnen basson Marie-Katelijne Marie-Katerien want dit is geen pavane of geen sarabande meer dat is geen gigue of geen allemande meer en geen wals dat is 'nen charleston 'nen boerecharleston van Gaston op zijnen basson En wie heeft er de kleine bugel gezien en wie heeft er de grote bugel gezien en wie Gaston met zijnen basson De kleine bugel zit in 'nen rozetuil bij Rozalie de grote bugel zit in de sjees bij Melanie Marie-Katelijne Marie-Katerien En Gaston die zit ‘In de Ton’ ik vraag u pardon Bolle wangen ballen bekkens bugel en basson