Onder de maan schuift de rivier, over de rivier schuift de maan, en op het water schuift een kano richting zee. Alles is hier in beweging, maar het tempo is dromerig traag. De herhalingen van ‘schuift’, ‘langs het hoogriet’ en ‘langs de laagwei’ maken de tocht bijna muzikaal, alsof je de kano langzaam voelt meeglijden.
De maan wordt ‘moede’ genoemd, en ook de man in de kano lijkt zich niet te verzetten. Samen met de maan drijft hij gedwee naar zee. Dat woord ‘gedwee’ is typerend: er klinkt overgave in, een zacht verlangen of berusting. De slotvraag ‘waarom?’ blijft open. Juist daardoor voelt het als een mijmering over meegeven aan iets groters: de nacht, het water, de stroom naar zee.