In dit versje wordt Amarillis toegesproken alsof iemand haar een klein, bijna kinderlijk spel uitlegt. Iris bevindt zich in een zeepbel; die bel moet aan een ring, en de ring aan de neus van Amarillis. Wie voorzichtig met het hoofd schudt, ziet het licht in de bel met Iris spelen; dan lijkt ze even te schitteren. Schudt ze te fel, dan breekt de bel en is Iris verdwenen. Wat rest is een lichte plaagstoot: “Wijsneus Amarillis.” De sfeer is speels en teder, maar in dat breekbare beeld zit ook iets vluchtigs: Iris is er even geweest en daarna niet meer. Door de korte regels en herhalingen klinkt het geheel als een klein muziekdoosje, vrolijk en licht en tegelijk broos. De stem in het versje lijkt met genegenheid te plagen, alsof hij Amarillis iets wil laten ervaren wat je maar heel even kunt vasthouden.
Zeer kleine speeldoos — Samenvatting
Amarillis hier is in een zeepbel Iris
hang de bel aan een ring en de ring aan je neus Amarillis
Schud je 't hoofd speelt het licht in de bel met Iris Schud je fel breekt de bel Amarillis
Waar is Iris Iris is hier geweest Amarillis aan een ring en de ring aan jouw neus
Wijsneus Amarillis