Paul van Ostaijen componeert «Zeer kleine speeldoos» als een miniatuurspel: een paar eigennamen, een zeepbel, een ring en een neus. Amarillis wordt toegesproken alsof zij voor een goocheltruc staat. „hier is / in een zeepbel / Iris” is de aankondiging van een wonder dat meteen al broos is. Niet een zware gedachte of een groot verhaal staat centraal, maar de vraag hoe je iets wat schittert even vasthoudt. Iris is in deze regels tegelijk een bloem, een regenboog en een oogkleur; in een zeepbel wordt zij licht dat zich verplaatst. Het centrale idee ligt in die dubbelzinnigheid: schoonheid is aanwezig zolang je bijna niets doet, maar verdwijnt zodra je haar geweld aandoet.
De bouw versterkt dat idee. Korte regels, waar de zinnen telkens overheen vallen, laten elke versregel even zweven alsof de taal op het punt staat te breken. Herhalingen werken als een refrein: „Amarillis” keert terug, maar ook „aan een ring / en de ring / aan je neus” wordt later „aan een ring / en de ring / aan jouw neus”. Zo’n kleine verschuiving van „je” naar „jouw” maakt de toon intiemer en plageriger. Het gedicht is bijna een gebruiksaanwijzing: „hang de bel / aan een ring” en „Schud je ’t hoofd” zijn imperatieven die een kinderspel regisseren. Klankrijmen als „hier is” en „Iris”, „bel” en „fel” maken het vers muzikaal zonder het in een strak metrum te dwingen; het mag licht en wendbaar blijven.
De beeldtaal is miniem maar gelaagd. Een zeepbel is doorschijnend, bol en tijdelijk; ze vangt licht en breekt het in kleuren. Dat Iris juist in een zeepbel zit, is een bijna letterlijke voorstelling van iriserend licht. Wanneer Amarillis het hoofd schudt, „speelt het licht / in de bel / met Iris”. Het werkwoord spelen is belangrijk: Iris wordt geen bezit, geen gevangene, maar een speelgenoot. Zolang het hoofd voorzichtig beweegt, blijft het licht bewegen. Bij „Schud je fel” is er geen spelen meer, maar geweld. De bel breekt, en de vraag „Waar is / Iris” klinkt als een ontgoochelde kindervraag. Opvallend is het antwoord: „Iris is hier geweest.” De voltooide tijd zegt dat haar aanwezigheid alleen nog als herinnering bestaat. De bel is stuk, maar de ring blijft, en die ring hangt nog altijd aan een neus.
Het slotwoord „Wijsneus” kantelt het gedicht. De naam klinkt als een plagerij. Amarillis, met een ring in de neus, ziet eruit als iemand die iets heeft willen vangen en nu met lege handen staat. Een wijsneus is iemand die denkt het beter te weten; hier slaat het ook letterlijk op de neus die nog versierd is met een ring. Zo houdt het gedicht afstand van zwaarwichtigheid. Het verlies van Iris is geen tragedie, eerder een les in betrekkelijkheid: je kunt het licht niet aan een ring hangen, je kunt alleen even meespelen. Door die mengeling van tederheid en spot blijft het slot niet sentimenteel.
Daardoor is het gedicht typerend voor Van Ostaijens moderne opvatting van poëzie: een gedicht hoeft geen boodschap te prediken, het mag zelf een muziekdoosje zijn dat je opent. De korte regels en herhalingen maken van de taal een muzikale partituur. «Zeer kleine speeldoos» voert precies uit wat de titel belooft: het is een klein mechaniek dat blijft ronddraaien, een wijsje van aanwezigheid en verdwijnen. De lezer hoort de bel bijna springen, net op het moment dat Iris is geweest.