Piet Paaltjens’ «Aan Rika» opent met een zin die zowel plechtig als licht ongeloofwaardig klinkt: ‘Slechts éénmaal heb ik u gezien.’ De mededeling heeft iets van een bekentenis. De ik-figuur richt zich rechtstreeks tot Rika, alsof zij die ene seconde allang vergeten is, terwijl hij haar beeld juist voor altijd bewaard heeft. Zij zit in een sneltrein, hij rijdt in een andere trein; de hare passeert zijn trein ‘in volle vaart’. Het is een ontmoeting zonder handdruk, zonder woord, zonder stilstand. Twee levens raken elkaar niet echt, ze schuiven langs elkaar heen. De eerste strofe eindigt dan ook met een bijna komisch droge constatering: ‘De kennismaking kon niet korter zijn.’ Het woord kennismaking wordt hier tot het uiterste opgerekt, want eigenlijk is er alleen een glimp geweest.
Toch draait de tweede strofe die kortheid om. ‘En toch’ vormt het scharnierpunt. De blik heeft, juist omdat hij zo kort was, iets onuitwisbaars gekregen. De spreker zegt dat de blik hem ‘het eindloos levenspad met fletsen lach’ doet vervolgen. Hier botsen twee soorten tijd: de seconde van het passeren en het eindeloze pad dat daarna volgt. Het levenspad is een oud beeld voor de levensreis, maar door de sneltrein krijgt het een moderne, bijna ironische lading. De spreker reist niet snel zoals Rika; hij moet traag verder, met een glimlach die zijn kleur verloren heeft. ‘Flets’ is het sleutelwoord: vaal, mat, uitgeblust. Het verdriet uit zich niet in grootse gebaren, maar in het vervagen van een lach. De uitroep ‘Ach!’ breekt daarna even door de beheersing heen en kondigt de slotregel aan: ‘geen enkel blij / Glimlachje liet ik meer, sinds ik u zag.’ De enjambementen leggen nadruk op ‘blij’ en ‘glimlachje’. Vooral het verkleinwoord is wrang: zelfs het kleinste sprankje vreugde is verdwenen. De zin is tegelijk een overdrijving en een stille klacht.
De vorm versterkt die dubbelzinnigheid. Het gedicht bestaat uit twee strakke kwatrijnen met kruisend rijm en een regelmatig metrum, waardoor de emotie in een keurslijf zit. Die spanning tussen inhoud en vorm geeft het vers een ironische ondertoon. Je kunt het lezen als een oprechte liefdesklacht, maar ook als een ironisch commentaar op de romantische zucht. Door de overdrijving—één blik kost een leven lang zijn blijdschap—wordt de ik-figuur bijna een personage dat zijn eigen drama te serieus neemt. Toch blijft het beeld ontroeren, omdat iedereen weleens betekenis heeft gegeven aan een toevallige blik.
De trein speelt in die beeldspraak een sleutelrol. Rika zit in de passerende sneltrein, maar binnen dat beeld is ze volkomen stil: ‘Gezeten’ wordt door een enjambement losgemaakt van ‘Gij waart’, alsof het oog eerst de gestalte ziet en dan pas het voertuig dat haar meevoert. Zo wordt zij een stilstaand beeld in een razende machine. De ik-figuur blijft achter op het eigen spoor, met alleen de herinnering aan een flits. Het gedicht maakt van een onbeduidend voorval een existentiële ervaring. Niet de duur van het contact bepaalt de betekenis, maar de nawerking. Precies daarin ligt de kracht van «Aan Rika»: het toont hoe een seconde in het hoofd van een mens kan uitgroeien tot een levenslang verhaal, en hoe een vale glimlach soms meer zegt dan tranen.