De ik-figuur heeft Rika maar één keer gezien. Zij zat in een sneltrein die de trein waarin hij reed in volle vaart passeerde. Hun kennismaking kon dus haast niet korter zijn. Toch was die ene blik genoeg om de rest van zijn levenspad met een flauwe, matte glimlach te vervolgen. Sinds hij haar zag, heeft hij geen enkel blij lachje meer gelaten.
De toon is weemoedig en tegelijk een beetje ironisch. Zo’n uiterst korte ontmoeting krijgt hier levensgrote gevolgen: één gezicht in een voorbijrazende trein bepaalt voorgoed zijn stemming. Dat voelt overdreven, alsof de spreker zijn eigen romantische verdriet relativeert. Toch blijft het verlangen oprecht voelbaar. Door de eenvoudige taal en het scherpe contrast tussen de korte blik en het ‘eindloos levenspad’ ontstaat een sfeer van stille, bijna lachwekkende weemoed. De tijd leek even stil te staan, en daarna was niets meer hetzelfde.