De ik-figuur weent om wat al verloren ging voordat het kon bloeien: bloemen die in de knop breken, een liefde die nooit opengaat, een hart dat niet wordt begrepen. Iemand is even gekomen, en meteen weer verdwenen. De ik heeft het nauwelijks gezien, kon geen woord uitbrengen en blijft roerloos achter in de schaduw van zijn verdriet.
Die stemming van ingehouden rouw wordt sterk in het slotbeeld: een vogel ontwaakt in de nacht omdat de hemel gloeit, denkt dat de dag aanbreekt en heft zijn kopje om te fluiten. Voor hij goed wakker is, is het alweer donker en klinkt er alleen nog een zwakke klacht door het gebladerte. Zo wordt de hoop hier getoond als een korte waan: even lijkt er licht, maar het dooft meteen, en wat overblijft is stille eenzaamheid.