De ik-figuur richt zich tot iemand die heel stil tegenover hem staat. Hij wil iets liefs zeggen, maar weet niet goed wat. Terwijl hij kijkt naar de handen, schouders en ogen van de ander, voelt hij vooral warmte en verlangen. De schouders zijn mooi, om de ander hangt een zacht, warm licht, en de blauwe ogen doen denken aan helder water. Even zou hij willen opgaan in de ander, maar hij beseft dat dat niet kan: hij blijft zichzelf. Daardoor blijft er ondanks de nabijheid een lichte afstand. De sfeer is intiem en bijna roerloos, vol tederheid en ingehouden spanning. De slotregels maken die onmacht voelbaar: er was iets dat hij wilde zeggen, maar het is alweer weg. Zo bestaan nabijheid en afstand hier in één roerloos moment naast elkaar.
Gij staat zoo heel, heel stil — Samenvatting
Gij staat zoo heel, heel stil met uwe handen, ik wil u zeggen een zoo lief wat, maar 'k weet niet wat.
Uw schoudertjes zijn zoo mooi, om u is lichtgedooi, warm, warm, warm — stil omhangen van warmte, ik doe verlangen.
Uw oogen zijn zoo blauw als klaar water — ik wou dat ik eens even u kon zijn, maar 't kan niet, ik blijf van mijn.
En ik weet niet wat 't is wat ik u zeggen wil — 't was toch wat.