De ik-figuur richt zich rechtstreeks tot een geliefde en zegt telkens weer hoeveel hij van de ander houdt. Hij noemt de ander lief en licht, en de ogen zijn vol licht. Zijn blik dwaalt langs neus, mond, haar, hals, kraagje en oor; juist zulke kleine, concrete dingen laten zien hoe aandachtig en vertederd hij kijkt.
Tegelijk klinkt er iets machteloos: hij zou graag de ander willen zijn, maar beseft dat dat niet kan. De geliefde blijft wie hij of zij is, omgeven door licht en daardoor ongrijpbaar. Zijn liefde is overweldigend, maar laat zich niet helemaal uitspreken. Door de herhalingen voelt het verlangen dringend en bijna kinderlijk. Alles bij elkaar is de sfeer warm, liefdevol en licht melancholisch: een overvol gevoel waarvoor taal tekortschiet.