Een gezicht is hier het landschap van verdriet. J.H. Leopolds verzen openen met een bijna stilleven: bleke wangen, doffe ogen, een rijpe mond waarvan de lippen zijn samengeperst tot een dunne, gespannen lijn. De woorden „dof", „genepen" en „geplet" leggen druk op de regels; het lichaam lijkt zichzelf te smoren. De vergelijking „wangen als violen" maakt het gezicht kwetsbaar, bijna bloemachtig, maar nergens lieflijk. Alles is verstrakt. De mond is het meest geladen: „bloedende lippen" suggereren een wond, terwijl ze juist dichtgeknepen zijn. Dit gezicht spreekt nog niet; het zwijgt op een manier die pijn doet.
De tweede strofe laat zien wat er met het leven is gebeurd. Het „woei" weg, kromp ineen „als een vogelenvlucht" en maakte van het gezicht „een sluier, een wa". Dat laatste is een ijl, mistig woord: het gezicht is er nog wel, maar ondoorzichtig geworden, vervreemd van zichzelf. „Onbewogen aangezicht" vat dit samen: geen rust, maar verstening. Daarna verschuift de blik naar binnen. In elliptische zinnen zonder werkwoord worden leegte en schemering opgeroepen; de jaren gaan „ongeteld" voorbij, maar één besef blijft doorklinken: „gekrenkt, gekrenkt, en achtergesteld." De herhaling van „gekrenkt" is geen stijlversiering, maar het bonzen van een oude wond. De mens voelt zich gepasseerd, tekortgedaan; er is geen scène, alleen een eindeloze nasleep.
Dan breekt de verstilling open. Armen slaan in vertwijfeling, wringen zich omhoog, reiken biddend, klemmen vast en laten jammerend los. De werkwoorden worden fysiek en wanhopig; het gebed blijft zonder troost. In de vijfde strofe wordt het hoofd een ondergedompeld landschap: het raakt „bedolven in der snikken en in der haren nacht". De plechtige oude naamvalsvorm „der snikken", „der haren nacht" vertraagt de regel en geeft de scène een zware ernst. Het gezicht komt „doodswit" boven uit „ondoorgrondlijke stroomen", alsof het uit diep water wordt opgehaald, verdronken en niet meer van zichzelf.
De laatste strofe verschuift van beeld naar stem. Die stem is „verwezen en ingezonken", maar uitgerekend deze bijna gestorven stem spreekt de eenvoudigste zin van het hele gedicht: „ik heb zoo zielsveel van je gehouden, / ik heb je zoo lief, zoo lief gehad." Het is een schok na zoveel dichterlijke, bijna plechtige taal. De herhaling „zoo lief, zoo lief" klinkt niet geconstrueerd, maar als iemand die naar woorden zoekt en alleen herhaling over heeft. Bovendien maakt „gehad" de liefde tot iets verledens: de stem aanbidt nog stervend, maar wat zij liefhad is al voorbij. Zo blijkt de oorzaak van de hele verstening: een liefde die te groot was, of te laat werd uitgesproken.
Leopold bouwt geen strak metrum of rijmschema; de regels volgen lange ademtochten, herhalingen en een opstuwend ritme. De vele deelwoorden en elliptische zinnen geven de taal iets hijgends en tegelijk iets plechtigs. Af en toe rijmen woorden als „slaan" en „gaan", „aanbad" en „gehad" juist heel zacht, als een nagalm. De kracht ligt in de beweging van buiten naar binnen, van zwijgend gezicht naar stervende belijdenis. Wat eerst alleen zichtbaar was—bleekte, spanning, dofheid—wordt uiteindelijk hoorbaar, en die overgang van masker naar menselijke stem maakt het gedicht zo aangrijpend.