In de bleeke wangen als violen — Samenvatting

IN de bleeke wangen als violen de sombere oogen dof gezet, de rijpe mond met de bloedende lippen opeen genepen en dun geplet.

En het leven, als woei het en is verdwenen, wegkrimpende als een vogelenvlucht, zich zelf een sluier, een wa geworden is dit onbewogene aangezicht.

Een leegte, een schemer, en zich niet keeren, een treden de jaren ongeteld met door alles heen het voortdurend weten: gekrenkt, gekrenkt, en achtergesteld.

En schokkende het groote zwichten en armen die in vertwijfeling slaan, een wringen omhoog, een biddend reiken, een klemmen en jammerend laten gaan.

En een hoofd verwordende en bedolven in der snikken en in der haren nacht, wond over ondoorgrondlijke stroomen vervreemd en doodswit opgebracht.

En een stem verwezen en ingezonken en die nog stervende aanbad: ik heb zoo zielsveel van je gehouden, ik heb je zoo lief, zoo lief gehad.

Show the whole poemHide the poem

Learn Poems-app

Probeer de Learn Poems-app

Alles van de website-trainer en meer: nieuwe oefeningen, spraakopname en delen, herinneringen, snel opfrissen.

Leopolds vers toont een bijna versteend gezicht: bleke wangen, doffe ogen, een smal, opeengeknepen mond. Het leven lijkt eruit weggevlucht, alsof alles krimpt en vervliegt; wat rest is een onbewogen masker van leegte en schemering. Van binnen blijft des te scherper het besef: gekrenkt, gekrenkt, achtergesteld. Die pijn breekt in schokkende bewegingen los — vertwijfelde armen, biddend reiken, jammerend loslaten. Het hoofd verdwijnt in snikken en haren, doodsbleek weggedoken. Dan klinkt bijna stervend een laatste stem: ‘ik heb zoo zielsveel van je gehouden, ik heb je zoo lief, zoo lief gehad.’ Zo roept het gedicht een rouw op waarin iemand dreigt te verdwijnen in eigen verdriet, maar de liefde nog een laatste keer uitspreekt. De stemming is smartelijk, verstild en tegelijk fel.

Read also

More by J.H. Leopold

All poems
SadJ.H. Leopold

Om mijn oud woonhuis peppels staan

OM mijn oud woonhuis peppels staan ‘mijn lief, mijn lief, o waar gebleven’ een smalle laan van natte blaren, het vallen komt.